Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AX9493

Datum uitspraak2006-06-28
Datum gepubliceerd2006-06-28
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200510341/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 1 juni 2004 heeft het Commissariaat voor de Media (hierna: het Commissariaat) zendtijd toegewezen aan de Bredase Radio en Televisie Stichting (hierna: de BRTS) voor de periode van 21 april 2003 tot 21 april 2008.


Uitspraak

200510341/1. Datum uitspraak: 28 juni 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de stichting "Bredase Omroep Stichting", gevestigd te Breda, appellante, tegen de uitspraak in zaak no. 04/2210 van de rechtbank Breda van 9 november 2005 in het geding tussen: appellante en het Commissariaat voor de Media. 1.    Procesverloop Bij besluit van 1 juni 2004 heeft het Commissariaat voor de Media (hierna: het Commissariaat) zendtijd toegewezen aan de Bredase Radio en Televisie Stichting (hierna: de BRTS) voor de periode van 21 april 2003 tot 21 april 2008. Bij besluit van 1 juni 2004 heeft het Commissariaat de aanvraag van appellante tot toewijzing van zendtijd afgewezen. Bij besluit van 14 september 2004 heeft het Commissariaat het door appellante tegen de besluiten van 1 juni 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 9 november 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 20 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 14 februari 2006 heeft het Commissariaat van antwoord gediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 mei 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door [voorzitter] en [bestuurslid] en het Commissariaat, vertegenwoordigd door mr. G.H.L. Weesing, advocaat te Amsterdam, en H.F. Ottenhof, werkzaam bij het Commissariaat, zijn verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    Ingevolge artikel 30 van de Mediawet, voor zover thans van belang,  is een lokale omroepinstelling een instelling die voldoet aan de volgende eisen: a. zij is rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid; b. zij stelt zich blijkens haar statuten uitsluitend, althans hoofdzakelijk ten doel, ter uitvoering van de taak van de publieke omroep, bedoeld in artikel 13c, op lokaal niveau een programma voor algemene omroep te verzorgen en alle activiteiten met betrekking tot programmaverzorging en uitzending te verrichten die daartoe nodig zijn. Het programma is in zodanige mate gericht op de bevrediging van de in de gemeente waarop de omroepinstelling zich richt, levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke behoeften, dat de instelling geacht kan worden van algemeen nut te zijn; en c. zij heeft op grond van de statuten een orgaan dat het programmabeleid bepaalt. Dit orgaan heeft een zodanige samenstelling dat het representatief is voor de belangrijkste in de gemeente voorkomende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen. De leden van dit orgaan worden op voordracht van de omroep benoemd door het College van Burgemeester en Wethouders. 2.1.1.    Ingevolge artikel 42, eerste lid, van de Mediawet, voor zover thans van belang, kan het Commissariaat voor lokale omroep zendtijd toewijzen aan een lokale omroepinstelling, op aanvraag van die instelling.    Ingevolge het tweede lid, zoals dit luidde ten tijde van het nemen van het besluit van 14 september 2004, kan per gemeente slechts aan één lokale omroepinstelling zendtijd worden toegewezen. Indien meer dan één omroepinstelling aan de eisen voldoet die deze wet aan een lokale omroepinstelling stelt, bevordert de gemeente het samengaan van die instellingen. Indien zij daarin niet slaagt, wijst het Commissariaat de zendtijd toe aan één van de instellingen. Het slaat daarbij acht op alle factoren die voor het functioneren van de instelling van belang kunnen zijn.    Ingevolge het vierde lid wordt de zendtijd voor lokale omroep telkenmale voor ten minste vijf jaar toegewezen.    Ingevolge het vijfde lid worden de wijze waarop aanvragen tot toewijzing van zendtijd worden ingediend, de termijn waarbinnen beslissingen daarop worden genomen en de termijn waarop adviezen worden uitgebracht en waarop beslissingen inzake toewijzing of intrekking van zendtijd voor lokale omroep in werking treden, bij algemene maatregel van bestuur geregeld. 2.1.2.    Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de Mediawet, zoals dit luidde ten tijde van het nemen van het besluit van 14 september 2004 en voor zover thans van belang, geschiedt de toewijzing van zendtijd aan lokale omroepinstellingen eerst nadat de gemeente heeft geadviseerd over de vraag of de instelling aan de eisen voldoet die deze wet stelt. 2.1.3.    Ingevolge artikel 20, eerste lid, van het Mediabesluit legt het Commissariaat de aanvraag tot toewijzing van zendtijd voor lokale omroep binnen vier weken na de datum van ontvangst voor aan het gemeentebestuur en zendt een afschrift van de aanvraag aan de Minister van Verkeer en Waterstaat.    Ingevolge het tweede lid brengt het gemeentebestuur binnen achttien weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, advies uit aan het Commissariaat.    Ingevolge het derde lid beslist het Commissariaat binnen vier weken na ontvangst van het advies van het gemeentebestuur. 2.2.    Bij besluit van 21 april 1998 heeft het Commissariaat voor vijf jaar zendtijd toegewezen aan de BRTS. Op 15 november 2002 heeft de BRTS een nieuwe aanvraag tot toewijzing van zendtijd ingediend. Appellante heeft op 20 februari 2003 eveneens een aanvraag om zendtijd ingediend. Bij brieven van respectievelijk 18 februari 2003 en 28 maart 2003 heeft het Commissariaat deze aanvragen voor advies voorgelegd aan de gemeente Breda. In zijn vergadering van 25 maart 2004 heeft de gemeenteraad van Breda besloten het Commissariaat te adviseren de BRTS voor een periode van vijf jaar zendtijd toe te kennen.    Bij de besluiten van 1 juni 2004, die zijn gehandhaafd bij het besluit op bezwaar, heeft het Commissariaat zendtijd aan de BRTS toegewezen voor de periode van 21 april 2003 tot 21 april 2008 en heeft het de aanvraag van appellante afgewezen. 2.3.    Appellante bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het Commissariaat het advies van de gemeente terecht heeft afgewacht, alvorens het een besluit nam. Zij heeft aangevoerd dat het Commissariaat de aanvraag van de BRTS zonder meer had moeten afwijzen, omdat de statuten van de BRTS ten tijde van de aanvraag niet voldeden aan de vereisten van de Mediawet. Appellante heeft voorts aangevoerd dat de in artikel 20 van het Mediabesluit gestelde termijnen fors zijn overschreden, terwijl de omstandigheden die overschrijding niet rechtvaardigen. De gemeente heeft volgens appellante niet gehandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 42, tweede lid, van de Mediawet door tot tweemaal toe te trachten de beide omroepen tot fusie of samenwerking te bewegen, zoals de rechtbank heeft overwogen. Op het moment dat de gemeente deze pogingen ondernam, voldeden de statuten, noch het programmabeleid bepalend orgaan (hierna: het pbo) van de BRTS aan de eisen die de wet daaraan stelt en bestond voor de gemeente derhalve niet de verplichting het samengaan van deze omroepen te bevorderen, aldus appellante. 2.3.1.    De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat de BRTS op het moment van indiening van haar aanvraag niet aan alle in artikel 30 van de Mediawet gestelde eisen voldeed. In strijd met onderdeel c van dit artikel was in de statuten namelijk bepaald dat de leden van de programmaraad werden benoemd door de programmaraad. Bij haar aanvraag tot zendtijdtoewijzing heeft de BRTS echter concept-statuten gevoegd waarin wel overeenkomstig bovenvermelde bepaling is vastgelegd dat de leden van het pbo op voordracht van de omroep worden benoemd door het college van burgemeester en wethouders. Het Commissariaat heeft niet gehandeld in strijd met de wet of de algemene rechtsbeginselen door de BRTS in de gelegenheid te stellen de wijziging van haar statuten alsnog notarieel vast te leggen en haar aanvraag, in afwachting daarvan, alvast ter advisering aan de gemeente voor te leggen. Nu de statuten gewijzigd waren vastgesteld toen de gemeente tot haar advies kwam, heeft het Commissariaat in de statuten terecht geen aanleiding gezien de aanvraag af te wijzen. Het betoog van appellante slaagt in zoverre niet.   2.3.2.    De Afdeling overweegt dat de in artikel 20 van het Mediabesluit gestelde termijnen geen fataal karakter hebben. Aan overschrijding van deze termijnen zijn in beginsel geen gevolgen verbonden.    Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan het Commissariaat  zonder het in artikel 43, eerste lid, van de Mediawet voorgeschreven advies echter wel besluiten tot toewijzing van zendtijd, indien dat advies niet tijdig wordt uitgebracht. Artikel 3:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht biedt deze mogelijkheid. Het Commissariaat heeft ter zitting verklaard dat het van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, omdat er een goede reden was voor het uitblijven van het advies, namelijk een nieuwe poging van de gemeente om beide omroepen tot fusie te bewegen. De Afdeling zal thans ingaan op de vraag of die keuze in strijd is met het recht. 2.3.2.1.    De gemeentelijke advisering richt zich in de kern op de vraag of het pbo van een lokale omroep een zodanige samenstelling heeft dat het representatief is voor de belangrijkste in de gemeente voorkomende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen. Indien twee instellingen in aanmerking wensen te komen voor toewijzing van zendtijd en fusiepogingen niet slagen, dient de gemeente in haar advies gemotiveerd aan te geven welke instelling haar voorkeur heeft.    Bij brief van 17 december 2003 heeft de gemeente Breda het Commissariaat meegedeeld dat een eerste fusiepoging niet heeft geleid tot het samengaan van de beide omroepen en dat besloten is de fusiepoging een tweede kans te geven. Bij brief van 4 februari 2004, gericht aan het Commissariaat, heeft de gemeente Breda nader uiteengezet waarom zij heeft besloten een tweede fusiepoging te ondernemen. Het Commissariaat heeft hieruit mogen afleiden dat de gemeente de pbo's van beide omroepen in beginsel representatief achtte, zij het dat er wel twijfel bestond over de juistheid van de gegevens van het pbo van de BRTS.    Gegeven het belang van het advies voor de besluitvorming en gezien de brieven van 17 december 2003 en 4 februari 2004, heeft het Commissariaat in het enkele ontbreken van een tijdig advies van de gemeente geen aanleiding behoeven te zien om zonder een dergelijk advies tot een besluit te komen. Dat de statuten van de BRTS nog niet aan de eisen van de Mediawet voldeden, betekent niet dat de gemeente niet mocht onderzoeken of een samengaan van BRTS met appellante tot de mogelijkheden behoorde. Een statutenwijziging was immers aangekondigd en het Commissariaat had de aanvraag in afwachting daarvan reeds ter advisering aan de gemeente toegezonden. Ten slotte wijst de Afdeling er in dit verband op dat appellante van de mogelijkheid om in beroep te gaan tegen de (fictieve) weigering om tijdig te beslissen geen gebruik heeft gemaakt.    Het betoog van appellante slaagt in zoverre evenmin. 2.4.    Appellante bestrijdt voorts het oordeel van de rechtbank dat het Commissariaat het advies van de gemeente heeft mogen volgen. Zij heeft aangevoerd dat het advies niet zorgvuldig tot stand gekomen is. De advisering is lange tijd aangehouden om de BRTS gelegenheid te geven orde op zaken te stellen, aldus appellante. Bovendien heeft het advies volgens appellante geen betrekking op de daadwerkelijke samenstelling van haar pbo en het pbo van de BRTS. Appellante heeft verder aangevoerd dat het Commissariaat de belangen van de BRTS ten onrechte zwaarder heeft laten wegen dan haar belangen. 2.4.1.    Het Commissariaat heeft, gelet op de eerder vermelde brieven van 17 december 2003 en 4 februari 2004, mogen aannemen dat de forse overschrijding van de adviseringstermijn met name veroorzaakt werd door de pogingen van de gemeente de beide omroepen te laten samengaan. Er is geen grond voor het oordeel dat die pogingen bij voorbaat kansloos waren en door de gemeente alleen waren ondernomen om de BRTS de gelegenheid te geven haar pbo aan te passen.    Anders dan appellante heeft betoogd, heeft het advies terecht betrekking op de voorgelegde, nieuwe samenstelling van het pbo van de BRTS en niet op de bestaande samenstelling, aangezien de aanvraag een nieuwe periode betreft. Na het besluit tot toewijzing kunnen de nieuwe leden van het pbo overeenkomstig de statuten door het college van burgemeester en wethouders worden benoemd. De gemeente behoefde voorts de laatste uitbreiding van het pbo van appellante niet bij haar advies te betrekken, nu appellante de gemeente pas vlak voor de raadsvergadering van 25 maart 2004 van die uitbreiding in kennis heeft gesteld. De raad was daardoor niet in de gelegenheid de wijzigingen te verifiëren en zich een oordeel te vormen over de mogelijk gewijzigde representativiteit.    De rechtbank is op goede gronden tot het oordeel gekomen dat aan het advies van de gemeente naar inhoud en wijze van totstandkoming niet zodanige gebreken kleven dat het Commissariaat zich daar niet op mocht baseren. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het Commissariaat bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen de aanvraag van BRTS toe en die van appellante overeenkomstig dat advies af te wijzen.   2.5.    Voor zover appellante heeft betoogd dat het Commissariaat ten onrechte heeft gedoogd dat de BRTS bleef uitzenden in de periode tussen het expireren van het besluit tot zendtijdtoewijzing van 21 april 1998 en het besluit tot toewijzing van zendtijd voor de aansluitende periode, overweegt de Afdeling dat dit betoog als geen betrekking hebbend op de geldigheid van het besluit van 14 september 2004, de omvang van dit geding te buiten gaat. De Afdeling gaat hieraan dan ook voorbij. 2.6.    Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust. 2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.   3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, ambtenaar van Staat. w.g. Polak    w.g. Visser Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2006 148.