
Jurisprudentie
AX9737
Datum uitspraak2006-06-22
Datum gepubliceerd2006-07-03
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/6907 WUV + 05/6760 WUV
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-07-03
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/6907 WUV + 05/6760 WUV
Statusgepubliceerd
Indicatie
Vervolgaanvraag ten behoeve van van nadere kosten in verband met gebitsklachten/gebitsrehabilitatie.
Uitspraak
05/6907 WUV + 05/6760 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 22 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar tegen een ten aanzien van hem door verweerster ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet) genomen besluit van 21 juni 2005, kenmerk A 09445/BA/2005.
Dit beroep wordt geacht mede te zijn gericht tegen het door verweerster inmiddels alsnog genomen besluit op het bezwaar tegen het hierboven genoemde besluit van 21 juni 2005. Dit besluit is gedagtekend 20 oktober 2005, en heeft als kenmerk JZ/Y70/2005.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2006. Daar is appellant in persoon verschenen, bijgestaan door zijn schoonzoon [naam schoonzoon], wonende te [woonplaats]. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, geboren op 5 oktober 1925, is op grond van vervolging die hij als gevolg van zijn Joodse afkomst heeft ondergaan erkend als vervolgde in de zin van de Wet. Aanvaard is dat de bij appellant aanwezige nervositas, hypertensie en hartklachten in het door de Wet vereiste causale verband staan met zijn vervolging, zo niet zijn oogklachten.
Naast een periodieke uitkering zijn appellant bijzondere voorzieningen toegekend, waaronder - voorzover in dit geding van belang - bij besluit van 20 september 1990, een vergoeding voor de kosten verbonden aan een eenmalige gebitsrestauratie en ongedekte medische kosten in verband met parodontologische behandelingen. Hierbij is aanvaard dat de tandheelkundige problemen van appellant door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd.
Bij besluit van 21 juni 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster afwijzend beslist op een in december 2004 door appellant ingediende vervolgaanvraag om toekenning ingevolge de Wet van een bijzondere voorziening terzake van nadere kosten in verband met gebitsklachten/gebitsrehabilitatie.
De Raad stelt allereerst vast dat niet gebleken is dat appellant thans nog belang heeft bij zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar, zodat dat beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Met betrekking tot verweersters besluit van 20 oktober 2005 overweegt de Raad het volgende.
Verweerster heeft bij laatstgenoemd besluit op advies van haar tandheelkundig adviseur M. Schächter en haar geneeskundig adviseur G. Kho overwogen dat volgens het geldende beleid met de in 1990 vergoede kosten voor gebitsrestauratie en ongedekte medische kosten voor parodontologische behandelingen, het gebit van appellant geacht moet worden volledig te zijn hersteld. Na dit herstel optredende kosten worden als regel beschouwd als normale, voor iedereen geldende kosten van levensonderhoud en verweerster ziet voor appellant geen aanleiding voor een uitzondering op deze regel nu zijn huidige gebitsklachten degeneratief van aard zijn.
Appellant kan zich met dat besluit niet verenigen. Hij voert aan - kort samengevat - dat het huidige gevraagde herstel nog steeds een direct gevolg is van de verkeerde behandeling van zijn gebit (met cement door een schoenmaker) tijdens de oorlog.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door appellant is aangevoerd, in rechte stand kan houden.
De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Op grond van de gedingstukken staat vast dat de tandheelkundige behandeling waarvan de kosten bij besluit van 28 september 1990 voor vergoeding in aanmerking zijn gebracht, ook daadwerkelijk is uitgevoerd en dat nadien het gebit in goede staat verkeerde.
Later is schade ontstaan aan een brugstuk in de rechteronderkaak als gevolg van een breuk van de wortel van een van de pijlers van die brug. Bedoelde wortelbreuk is degeneratief van aard. Dit blijkt uit de tandheelkundige adviezen d.dis. 29 mei 2005 en 14 augustus 2005 van adviserend tandarts Schächter, die bij zijn adviezen rekening heeft gehouden met de verkregen inlichtingen van de behandelend tandarts van appellant, E.J.P. den Outer.
Gelet op bovenstaande terzake uitgebrachte tandheelkundige adviezen heeft verweerster geen aanleiding gezien om af te wijken van het in gevallen als deze gehanteerde uitgangspunt dat na een volledige rehabilitatie het verdere onderhoud van het gebit algemeen gebruikelijk moet worden geacht en voor eigen rekening van de betrokkene dient te komen.
Het beleid van verweerster om in gevallen als het onderhavige te volstaan met vergoeding van een eenmalige gebitsrehabilitatie is door de Raad in vaste jurisprudentie aanvaard. De Raad is voorts niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan gezegd zou moeten worden dat verweerster in het geval van appellant een uitzondering op dit beleid had behoren te maken. Beslissend hiervoor acht de Raad dat de thans in geding zijnde behandeling het gevolg is van een degeneratieve breuk van een wortel en mitsdien niet geacht kan worden een gevolg te zijn van de vervolging of van de daarmee samenhangende parodontitis.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het besluit van 20 oktober 2005 geen grond, zodat het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar tegen het door verweerster genomen besluit van 21 juni 2005 niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen verweersters besluit van 20 oktober 2005 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2006.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) E. Heemsbergen.
HD
01.06

