Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AX9743

Datum uitspraak2006-06-22
Datum gepubliceerd2006-07-03
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/5854 WUBO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.


Uitspraak

05/5854 WUBO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster) Datum uitspraak: 22 juni 2006 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 19 augustus 2005, kenmerk JZ/Z60/2005, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2006, waar appellant niet is verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. OVERWEGINGEN Blijkens de gedingstukken heeft appellant, die in 1943 is geboren in het voormalige Nederlands-Indië, in december 2001 bij verweerster een verzoek ingediend om krachtens de Wet erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer en in aanmerking te worden gebracht voor - onder meer - een periodieke uitkering. Appellant heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die hij in verband brengt met hetgeen hij in het voormalige Nederlands-Indië heeft meegemaakt tijdens de Japanse bezetting en de daaropvolgende, zogenoemde Bersiap-periode. Deze gebeurtenissen betroffen volgens appellant internering in het Adekkamp te Batavia en tijdens de Bersiap-periode het meemaken van beschietingen gedurende de politionele acties. Verweerster heeft bovengenoemde aanvraag bij besluit van 21 mei 2002 afgewezen op de grond dat van de door appellant gestelde gebeurtenissen, buiten de eigen verklaring van appellant, geen bevestiging is verkregen. Appellant heeft tegen dat besluit geen bezwaar gemaakt, zodat dat besluit tussen partijen rechtens verbindend is geworden. In september 2003 heeft appellant verzocht om herziening van dat besluit, waarbij hij omtrent de door hem meegemaakte oorlogsgebeurtenissen heeft verwezen naar de bij verweerster bekende gegevens van zijn broer [naam broer]. Verweerster heeft dit verzoek om herziening afgewezen bij besluit van 17 oktober 2003, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 januari 2004, op gronden ontleend aan artikel 61, derde lid, van de Wet. Daarbij heeft verweerster overwogen dat in de bij haar aanwezige dossiers van de door appellant genoemde lotgenoten [mevrouw P.M.], de inmiddels overleden [F.T.] en [H.T.] en zijn broer [naam broer] geen feiten of gegevens omtrent appellant zijn aangetroffen die het relaas van appellant bevestigen. Tegen laatstgenoemd besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend. In februari 2005 heeft appellant zich opnieuw tot verweerster gewend met het verzoek het eerdere afwijzende besluit te herzien. Hij heeft daarbij aangegeven na zijn verblijf in het Japanse kamp te hebben moeten vluchten vanwege het gevaar van pemoeda’s. Dat verzoek heeft verweerster afgewezen bij besluit van 26 april 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat bij het herzieningsverzoek noch tijdens de bezwaarprocedure op dat verzoek relevante nieuwe feiten of gegevens zijn vermeld, zodat geen aanleiding bestaat om het eerdere besluit te herzien. Appellant kan zich met het besluit van verweerster niet verenigen. Hij handhaaft zijn standpunt dat in voldoende mate is aangetoond dat hij is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2 van de Wet, met name dat hij niet begrijpt waarom verweerster hem niet gelooft dat hij (en zijn moeder en broer) hebben meegemaakt dat de oorlog het hele gezin waartoe zij behoorden uit elkaar heeft gerukt en daarna dat hij als jongetje van amper drie jaar in de steek werd gelaten door zijn moeder en al zwervend in de Bersiap-periode en ook daarna in ellendige, gevaarlijke en armoedige omstandigheden op eigen kracht heeft moeten overleven waardoor hij psychische klachten heeft opgelopen. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. Ingevolge het bepaalde in artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd, op daartoe door of vanwege de belanghebbende gedane aanvraag, een door haar gegeven besluit in het voordeel van de betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is van discretionaire aard, hetgeen betekent dat de Raad het besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen. Deze rechterlijke toetsing is te meer beperkt omdat dit een tweede verzoek om herziening betreft. Daarbij staat bij een verzoek om herziening als waarvan hier sprake is centraal de vraag of appellant bij zijn verzoek dan wel in bezwaar nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aan verweerster bij het nemen van haar eerdere besluit niet bekend waren en waarin verweerster aanleiding had moeten vinden dat besluit te herzien. De Raad stelt voorop dat, gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wet, voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer primair de voorwaarde geldt dat de aanvrager direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld als omschreven in die bepaling. Eerst indien zodanige betrokkenheid is vastgesteld kunnen de medische gevolgen daarvan rechtens een rol spelen. Verweerster heeft bij eerdergenoemde besluiten en thans ook in herziening terecht in de eerste plaats beoordeeld of er sprake is van directe betrokkenheid van appellant bij oorlogsgeweld in de zin van de Wet. Daarbij merkt de Raad op dat de door een belanghebbende genoemde oorlogsgebeurtenissen niet uitsluitend op grond van diens eigen verklaring - die bovendien voor appellant gezien zijn zeer jeugdige leeftijd destijds, merendeels is gebaseerd op verhalen die hij van anderen heeft vernomen - als voldoende vaststaand kunnen worden aangemerkt, maar dat een dergelijke verklaring dient te worden ondersteund door aanvullende - objectieve - gegevens. Van dergelijke gegevens is de Raad, evenals verweerster, niet gebleken. De ingezonden getuigenverklaring d.d. 16 mei 2005 van [naam broer] (appellants broer) is door verweerster nog eens vergeleken met bij haar reeds eerder opgetekende en ongeverifieerd gebleven relazen en aanwezige historische documentatie over politionele acties waarbij ook appellant betrokken zou zijn geweest. Wat dit laatste betreft is de Raad met verweerster van mening dat ook al zou betrokkenheid van appellant komen vast te staan - de getuigenis van appellants broer is hiervoor niet toereikend nu deze daar niet zelf bij is geweest - dan nog zou deze calamiteit niet onder de Wet zijn te brengen nu die calamiteit zich gezien appellants eigen vermelding in dit verband van de naam van kapitein Westerling na de soevereiniteitsoverdracht heeft voorgedaan en daardoor buiten de periode valt die door de Wet wordt bestreken. De Raad wil aannemen dat appellant zijn leven lang veel problemen heeft gehad als gevolg van het feit dat zijn ouderlijk gezin door de oorlog en de Bersiap-periode uiteen is gerukt en dat appellant als zodanig een slachtoffer van de oorlog is. Dit is evenwel niet voldoende om appellant onder de werking van de Wet te brengen, nu daarvoor concrete betrokkenheid dient te worden vastgesteld bij in artikel 2 van de Wet genoemde gebeurtenissen. Hetgeen hierboven is overwogen brengt mee dat het bestreden besluit de hier aan de orde zijnde, terughoudende toetsing van de rechter kan doorstaan en dat het beroep van appellant dus niet kan slagen. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een der partijen te veroordelen in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2006. (get.) H.R. Geerling-Brouwer. (get.) E. Heemsbergen. HD 01.06