Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AX9856

Datum uitspraak2006-06-07
Datum gepubliceerd2006-07-03
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/3720 WW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verzet ongegrond. De Raad is niet gebleken dat appellant niet in staat was het griffierecht binnen de gestelde termijn te voldoen.


Uitspraak

05/3720 WW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 4 mei 2005, 04/2917 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 7 juni 2006. I. PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 21 december 2005 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de uitspraak van de Raad van 21 december 2005 heeft appellant verzet gedaan. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 26 april 2006, waar partijen -het Uwv met voorafgaand bericht- niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 21 december 2005 berust hierop, dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat het griffierecht niet tijdig is betaald. Het door appellant in het verzetschrift aangevoerde argument, dat indien de kennisgeving van de behandeling ter terechtzitting van 2 mei 2005 van de rechtbank Arnhem naar het juiste adres was verstuurd appellant geen hoger beroepschrift had hoeven in te dienen en eveneens geen griffierecht verschuldigd was, is geen reden om de overschrijding van de gestelde termijn te excuseren. De Raad is niet gebleken dat appellant niet in staat was het griffierecht binnen de gestelde termijn te voldoen. Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2006. (get.) H.G. Rottier. (get.) L. Karssenberg. BvW 126