Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AY2750

Datum uitspraak2006-06-29
Datum gepubliceerd2006-07-10
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
ZaaknummersBK-04/00928
Statusgepubliceerd


Indicatie

aansprakelijkheidsstelling naheffingsaanslagen loonbelasting


Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE tweede meervoudige belastingkamer 29 juni 2006 nummer BK-04/00928 UITSPRAAK op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A. te B tegen de uitspraak van de C, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Haaglanden, betreffende na te noemen beschikking inzake aansprakelijkstelling. 1. Aansprakelijkstelling en bezwaar 1.1. Bij beschikking, gedagtekend 12 september 2003, is belanghebbende op de voet van artikel 34 van de Invorderingswet 1990 voor een bedrag van ? 269.537 aansprakelijk gesteld ter zake van niet (volledig) betaalde naheffingsaanslagen in de loonbelasting en de premie volksverzekeringen ten name van D. 1.2. Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar, heeft de C bij de bestreden uitspraak de aansprakelijkstelling verminderd tot op ? 112.611. 2. Loop van het geding 2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de C in beroep gekomen bij het Hof. De griffier heeft in verband daarmee van belanghebbende een griffierecht geheven van ? 273. De C heeft een verweerschrift ingediend. 2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 13 januari 2006 en ter zitting van het Hof van 9 juni 2006, beide gehouden te Den Haag. Op de eerste zitting zijn beide partijen verschenen en op de tweede zitting alleen de C. Voorafgaande aan de tweede zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende schriftelijk meegedeeld niet op de zitting aanwezig te zullen zijn. Van het verhandelde op de zittingen is een proces-verbaal opgemaakt. 3. Vaststaande feiten Op grond van de stukken van het geding en het op de zittingen verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, het volgende komen vast te staan: 3.1. Belanghebbende oefent een onderneming uit in welk kader zij personeel heeft uitgeleend dat, waar het gaat om de jaren 1999 en 2000, is ingeleend van D, die als zelfstandig ondernemer een bedrijf exploiteerde onder de naam "Bouwbedrijf D". Het personeel hield zich bezig met diverse werkzaamheden in de bouw. D factureerde destijds op basis van een vast uurtarief. 3.2. Aan D is ten aanzien van zijn werknemers een naheffingsaanslag in de loonbelasting en de premie volksverzekeringen over de jaren 1999 en 2000 opgelegd. Omdat in de administratie van D loonbelastingverklaringen en identiteitsbewijzen van de werknemers ontbreken, is de nageheven belasting berekend met toepassing van het anoniementarief van artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964. 3.3. De naheffingsaanslag is opgelegd naar aanleiding van de bevindingen van een bij D ingesteld boekenonderzoek. Daarbij is gebleken dat D gebruik heeft gemaakt van valse facturen om daarmee de betalingen aan zwart personeel te versluieren. Bovendien is gebleken dat D geen loonadministratie voerde en ook verder niet op de vereiste wijze de identiteit van de werknemers heeft vastgesteld. Een kopie van het controlerapport d.d. 30 augustus 2001 behoort tot de stukken van het geding. 3.4. Aan D is op grond van nadere gegevens een aanvullende naheffingsaanslag in de loonbelasting en de premie volksverzekeringen over het jaar 2000 opgelegd. De gegevens in kwestie zijn naar voren gekomen, nadat een onderzoek is ingesteld naar de mogelijke aansprakelijkheid in het kader van de inlenersaansprakelijkheid en/of ketenaansprakelijkheid van de opdrachtgevers voor de niet-betaalde loonbelasting/premie volksverzekeringen. Een kopie van de brief d.d. 10 september 2001 waarbij D in kennis is gesteld van het voornemen om de aanvullende naheffingsaanslag op te leggen, behoort tot de stukken van het geding. 3.5. D is op 22 februari 2001 failliet verklaard. Enig verhaal is niet mogelijk gebleken, zodat de naheffingsaanslagen volledig onbetaald zijn gebleven. Het faillissement van D is omgezet in een wettelijke schuldsanering. 3.6. Na enige correspondentie tussen belanghebbende en de C over het voornemen om over te gaan tot een aansprakelijkstelling, is belanghebbende naar aanleiding de bevindingen van een bij haar ingesteld onderzoek bij de onderwerpelijke beschikking aansprakelijk gesteld voor (een deel van) de door D niet betaalde naheffingsaanslagen. De aansprakelijkstelling, die is gegrond op artikel 34 van de Invorderingswet 1990, beloopt een bedrag van in totaal ? 269.537. Bij de berekening van de aansprakelijkstelling is rekening gehouden met door belanghebbende op de G-rekening betaalde bedragen, groot in totaal ? 133.342. Het onderzoeksrapport en de specificatie van de aansprakelijkstelling behoren in kopie tot de stukken van het geding. 3.7. Op grond van door belanghebbende in de bezwaarfase ingeleverde identiteitsbewijzen heeft de C bij de bestreden uitspraak de aansprakelijkstelling onder toepassing van het matigingstarief als bedoeld in artikel 34, paragraaf 5, tweede lid, van de Leidraad Invordering 1990 teruggebracht tot in totaal ? 112.611 (? 3.905 voor het jaar 1999 en ? 108.706 voor het jaar 2000). 4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen 4.1. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht voor een belastingbedrag van ? 112.611 aansprakelijk is gesteld, welke vraag belanghebbende ontkennend en de C bevestigend beantwoordt. 4.2. Voor de standpunten van partijen en voor de gronden waarop zij hun standpunten doen steunen wordt verwezen naar de stukken van het geding. 4.3. Naar aanleiding van de door belanghebbende bij brief van 16 februari 2006 verstrekte bescheiden, waaronder kopie├źn van enkele identiteitsbewijzen, heeft de C blijkens zijn brief van 21 februari 2006 geconcludeerd, uit overwegingen van coulance, dat de aansprakelijkstelling nader kan worden vastgesteld op in totaal ? 88.189 (? 3.500 voor het jaar 1999 en ? 84.689 voor het jaar 2000). Op de tweede zitting heeft hij die conclusie bevestigd. 5. Conclusies van partijen 5.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de beschikking. 5.2. De C heeft geconcludeerd tot een nadere vaststelling van de aansprakelijkstelling op ? 88.189. 6. Overwegingen omtrent het geschil 6.1. Met al hetgeen hij heeft aangevoerd, aan stukken heeft ingebracht en op de zittingen heeft toegelicht, heeft de C naar 's Hofs oordeel ruim voldoende feiten en omstandigheden gesteld en, tegenover de betwisting ervan door belanghebbende, aannemelijk gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat belanghebbende met het resterende bedrag ad ? 88.189 terecht en niet tot een te hoog bedrag aansprakelijk is gesteld voor de belastingschuld van D en dat ter zake van die aansprakelijkstelling geen grond bestaat voor toepassing van de uitzondering in artikel 34, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990 of van enige andere uitzondering. Het ligt alsdan op de weg van belanghebbende om tegenbewijs te leveren. 6.2. Belanghebbende heeft het van haar te verlangen bewijs niet geleverd. Zij is naar 's Hofs oordeel niet erin geslaagd enig feit of enige omstandigheid aannemelijk te maken, tegenover de betwisting ervan door de C, op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat over de aansprakelijkstelling anders kan worden geoordeeld dan is overwogen in 6.1, dat belanghebbende voor de aansprakelijkheid zou zijn gevrijwaard, dat de aansprakelijkstelling in strijd is met een beginsel van behoorlijk bestuur of enige andere rechtsregel dan wel anderszins dat de C een rechtsregel heeft geschonden of zich naar belanghebbende toe niet naar behoren zou hebben gedragen. 6.3. Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep van belanghebbenden gegrond is, met dien verstande dat de uitspraak waarvan beroep moet worden vernietigd en dat de aansprakelijkstelling conform de conclusie van de C moet worden verminderd tot op ? 88.189. 7. Proceskosten en griffierecht 7.1. Ondanks dat het gelijk (ten dele) aan de zijde van belanghebbende is, acht het Hof met de C geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarbij neemt het Hof in het bijzonder in aanmerking dat de gegrondverklaring van het beroep uitsluitend het gevolg is van eerst in de beroepsfase overgelegde bescheiden en in redelijkheid niet valt in te zien dat belanghebbende die bescheiden niet eerder aan de C had kunnen verstrekken. 7.2. Gelet op het bepaalde in artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht dient het door belanghebbende gestorte griffierecht ad ? 273 te worden vergoed. 8. Beslissing Het Gerechtshof: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak waarvan beroep; - wijzigt de beschikking, in die zin dat de aansprakelijkstelling wordt verminderd tot op ? 88.189; en - gelast de Staat der Nederlanden aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht van ? 273 te vergoeden. Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Sanders, Tromp en W. Otto. De beslissing is op 29 juni 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier. (Van der Zande) (Sanders) aangetekend aan partijen verzonden: Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd. 2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: - de naam en het adres van de indiener; - de dagtekening; - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; - de gronden van het beroep in cassatie. Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. ?? nummer BK-04/00928 blz. 5