Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AY2962

Datum uitspraak2006-06-30
Datum gepubliceerd2006-07-10
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers01/6378 ANW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herziening nabestaandenuitkering in verband met inkomsten uit arbeid.


Uitspraak

01/6378 ANW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats], België (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 november 2001, 00/963 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb). Datum uitspraak: 30 juni 2006. I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Op verzoek van de gemachtigde van appellante heeft de Raad de behandeling van het geschil aangehouden totdat door het Europese Hof voor de rechten van de Mens (hierna: EHRM) uitspraak was gedaan over de door diverse nabestaanden bij dat Hof ingediende klachten met betrekking tot het overgangsrecht bij de intrekking van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) en de gevolgen van de invoering van de Algemene nabestaandenwet (ANW). Op 6 december 2005 heeft de Raad partijen verzocht aan te geven welke betekenis het arrest van van 22 september 2005 van het EHRM in de zaak Goudswaard-van der Lans, nr. 75255/01 (USZ 2005/396), voor het onderhavige geding heeft. Van appellante - de gemachtigde had de Raad schriftelijk laten weten niet langer voor appellante op te treden - is geen reactie ontvangen. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 mei 2006, waar appellante niet is verschenen en waar de Svb zich heeft laten vertegenwoordigen door J.A. Schimmel. II. OVERWEGINGEN Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Svb de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder Svb tevens verstaan Sociale Verzekeringsbank. Appellante ontvangt sedert september 1998 een nabestaandenuitkering ingevolge de ANW in verband met het overlijden van haar echtgenoot. Bij besluit van 24 januari 2000 heeft de Svb aan de hand van het Inkomens- en Samenloopbesluit ANW bepaald dat appellante f 1.763,71 bruto per maand aan inkomen in verband met arbeid ontvangt. Dit inkomen heeft de Svb in mindering gebracht op de ANW-uitkering van appellante, zodat aan appellante met ingang van 1 juli 1999 een uitkering van f 87,00 en een daarbij behorende vakantie-uitkering van f 5,66 bruto per maand is toegekend. Het van de zijde van appellante tegen dit besluit ingestelde bezwaar heeft de Svb bij beslissing op bezwaar van 29 juni 2000 (hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard en bepaald dat appellante per 1 juli 1999 recht heeft op een nabestaandenuitkering van f 214,24 bruto per maand en een vakantie-uitkering van f 13,94 bruto per maand. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit, onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 24 januari 2001 (LJN AA9616), bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Tussen partijen is niet in geschil dat de Svb de aanspraak van appellante op nabestaandenuitkering ingaande 1 juli 1999 overeenkomstig het bepaalde in de ANW heeft vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het bestreden besluit in strijd is met bepalingen van internationaal of supranationaal recht of met algemene rechtsbeginselen. In het bijzonder is namens appellante aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het non-discriminatiebeginsel. Appellante is van mening dat zij in dezelfde omstandigheden verkeert als de groep voormalige AWW-gerechtigden, voor welke groep een overgangsregeling is getroffen in de ANW, maar dat er een ontoelaatbaar verschil in behandeling bestaat bij vergelijking van die groep met nabestaanden, zoals appellante, die na de inwerkingtreding van de Anw per 1 juli 1996 met het overlijden van hun partner zijn geconfronteerd en voor wie de nabestaandenuitkering inkomensafhankelijk is geworden. De Raad overweegt het volgende. De Raad kan appellante niet volgen in haar standpunt dat zij in dezelfde omstandigheden verkeert als de voormalige AWW-gerechtigden die vóór 1 juli 1996 nabestaande zijn geworden en dat het onderscheid tussen haar en die groep van gerechtigden in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 26 IVBPR en artikel 14 van het EVRM. Reeds eerder heeft de Raad overwogen - de Raad verwijst naar zijn uitspraken van bijvoorbeeld 5 september 2001 (USZ 2001/271) en van 17 februari 2006 (LJN AV1975) - dat artikel 26 van het IVBPR er niet toe strekt personen te beschermen tegen de nadelige gevolgen van wijziging van wetgeving, waarbij noodzakelijkerwijs het toepasselijke wettelijke regime een relatie heeft met het tijdstip van de verzekerde gebeurtenis, in aanmerking genomen dat de gewijzigde wet op zichzelf geen discriminerend karakter heeft. De Raad is van oordeel dat ook artikel 14 van het EVRM daartoe niet strekt. Een essentieel verschil tussen appellante en personen wier echtgenoot vóór 1 juli 1996 is overleden, is dat appellante ten tijde van de inwerkingtreding van de ANW geen te eerbiedigen recht had op een nabestaandenuitkering. In dit verband wijst de Raad er nog op dat de weduwe die betrokken was bij de hiervoor genoemde uitspraak van het EHRM ingediende klacht - wegens schending van, onder meer, artikel 14 van het EVRM - bij het onder I. genoemde arrest niet-ontvankelijk is verklaard, omdat de overgelegde gegevens volgens het Hof "did not enclose any appearance of a violation" van de rechten en vrijheden genoemd in het EVRM en de daarbij behorende Protocollen. De Raad overwoog in zijn uitspraak van 5 december 2003 (USZ 2004/88) voorts dat met het in het tweede lid van artikel 67 van de ANW en in het Inkomens- en samenloopbesluit ANW van 10 juni 1996, Stb. 306, gemaakte onderscheid tussen inkomen uit arbeid en inkomen in verband met arbeid, geen sprake is van een verboden onderscheid dan wel van een verboden ongelijke behandeling van rechthebbenden op bepaalde soorten uitkeringen. Voorzover appellante een beroep heeft willen doen op algemene rechtsbeginselen, overweegt de Raad dat hij zich in constante rechtspraak heeft aangesloten bij het oordeel van de Hoge Raad, inhoudende dat artikel 120 van de Grondwet (mede) een verbod inhoudt om wetten in formele zin, zoals in casu de ANW, te toetsen aan dergelijke beginselen en dat de rechter voorts niet mag treden in een belangenafweging welke reeds door de wetgever is verricht of geacht moet worden te zijn verricht (HR 14 april 1989, AB 1989, 207, Harmonisatiewetarrest). Dat er sprake zou zijn van door de wetgever niet gewenste en onbedoelde effecten van de regeling welke mogelijkerwijs aan onverkorte wetstoepassing in de weg zouden staan, is de Raad niet gebleken. Wat betreft de overige bepalingen van internationaal recht waarop de gemachtigde van appellante zich heeft beroepen, in relatie tot het overgangsrecht van de Anw en anderszins, volstaat de Raad hier met verwijzing naar zijn hiervoor vermelde uitspraken van 24 januari 2001 (onder meer RSV 2001/138) en van 5 december 2003 (USZ 2004/88). Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en P.J. Stolk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2006. (get.) M.M. van der Kade. (get.) P.H. Broier. RG