Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ3662

Datum uitspraak2006-11-17
Datum gepubliceerd2006-12-05
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers2200684205
Statusgepubliceerd


Indicatie

O.a. overtreding van de Coördinatiewet sociale verzekeringen, die met ingang van 1 januari 2006 is komen te vervallen. Gelet op de pleegdata - vóór 1 januari 2006 - is de wet onverkort van toepassing.


Uitspraak

Rolnummer: 22-006842-05 Parketnummer(s): 09-755158-02 Datum uitspraak: 17 november 2006 VERSTEK Gerechtshof te 's-Gravenhage meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 4 november 2005 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1961, GBA-adres: [adres] Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 3 november 2006. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenis-straf voor de duur van dertig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Ten aanzien van drie onder 4 bewezenverklaarde overtredingen heeft de rechtbank de verdachte schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Omvang van het hoger beroep Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken betreffende de in feit 4 eerste en tweede cumulatief/ alternatief tenlastegelegde vreemdeling I. Moennoe, en evenmin tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak betreffende de onder 4 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde vreemdeling H. Audhram. Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: (zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt) Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Aangezien de Coördinatiewet sociale verzekeringen met ingang van 1 januari 2006 is komen te vervallen, overweegt het hof met betrekking tot de strafbaarheid van het onder 1 tenlastegelegde het volgende. Op de genoemde datum is ter vervanging van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) in werking getreden de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfs). In artikel 59, eerste lid, Wfs is bepaald dat de premies voor de werknemersverzekeringen worden geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de loonbelasting geldende regels. Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, juncto de artikelen 27 en 27c, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, verplichten de werkgever om de premies voor de werknemersverzekeringen gelijktijdig met de loonbelasting op het loon van de werknemer in te houden en die premies vervolgens gelijktijdig met de loonbelasting op één aangifte aan de belastingdienst af te dragen. Het door de werkgever opzettelijk onjuist of onvolledig doen van de bij de Wet op de loonbelasting 1964 voorgeschreven aangifte, waarin sinds 1 januari 2006 dus ook de premies voor de werknemersverzekeringen zijn begrepen, is als misdrijf ingevolge artikel 69, tweede lid, juncto artikel 72 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen strafbaar gesteld, met als strafbedreiging een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren of een geldboete van de vijfde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting. Zoals vermeld in de Memorie van Toelichting bij de Invoeringswet van de Wet financiering sociale verzekeringen (Kamerstuk 2003-2004, 29531, nr. 3, Tweede Kamer), is evenwel op de vóór de datum van inwerkingtreding (1 januari 2006) gelegen kalenderjaren het toen geldende recht van toepassing gebleven. Dit betekent dat met betrekking tot de onder 1 bewezenverklaarde jaren 1999, 2000, 2001 en 2002 de artikelen 10 en 17a (oud) CSV onverkort van toepassing zijn. Bij het opzettelijk niet voldoen aan de krachtens artikel 10 CSV gestelde verplichtingen geldt derhalve - mede gelet op het bij artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalde – nog steeds de strafbedreiging van een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of een geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven premie, zoals in artikel 17a, tweede lid, van die wet is bepaald. Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de bewezenverklaarde feiten uitsluit. Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde: (in de maand januari 2000) Opzettelijk een der in artikel 10 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering bedoelde verplichtingen niet en/of niet juist en/of niet volledig nakomen, meermalen gepleegd; en: (vanaf 31 mei 2000) Feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk een der in artikel 10 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering bedoelde verplichtingen niet en/of niet juist en/of niet volledig nakomen, meermalen gepleegd. Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde: Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde: In het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het vervalst is. Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde: (tot 31 mei 2000) Overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen, tweemaal gepleegd; en: (vanaf 31 mei 2000) Feitelijk leiding geven aan overtreding door een rechtspersoon van het voorschrift, gesteld bij artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep, uitgezonderd ten aanzien van de in dat vonnis opgelegde straf en met verbetering van de bewezenverklaring en de aangehaalde wetsartikelen in die zin, dat onder de in feit 1 tenlastegelegde werknemers niet de werkende illegalen zijn begrepen en dat artikel 42 van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen dient te worden aangehaald. Met betrekking tot de op te leggen straf vordert de advocaat-generaal dat aan de verdachte ter zake van de bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden zal worden opgelegd, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft eerst als werkgever over het jaar 1999 en vervolgens als feitelijk leidinggever van zijn B.V. over de jaren 2000, 2001 en 2002 opzettelijk geen, onjuiste en/of onvolledige opgave gedaan middels jaaropgavekaarten van het loon van bij hem en zijn B.V. in dienst zijnde werknemers. Door die gegevens niet aan het desbetreffende instituut te melden, heeft hij en vervolgens zijn B.V. jarenlang te weinig premie voor de werknemersverzekeringen afgedragen. Daarnaast leidt dergelijk handelen tot oneerlijke concurrentie in het economisch verkeer. De bedrijfsadministraties van verdachtes eenmansbedrijf en verdachtes B.V. bestonden uit tal van valse geschriften; jaaropgavekaarten, geleidestaten, kopieën van identiteitsdocumenten en loonbelastingverklaringen. Door aldus te handelen heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming als de onderhavige. Het hof rekent het de verdachte verder ook aan dat hij namen van verschillende werknemers buiten hun medeweten op loonstroken en urenstaten vermeldde, terwijl anderen (zwarte werknemers) het werk op die uren hebben verricht. Daarnaast heeft de verdachte een paspoort van zijn broer in zijn bezit gehad, waarvan hij redelijkerwijs moest vermoeden dat het vervalst was. Het hof is van oordeel dat voor bovenstaand scala aan misdrijven, mede vanuit een oogpunt van rechtseenheid, in beginsel een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, een passende en geboden reactie vormt. Het hof zal de mate waarin de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg is overschreden, verdisconteren in de strafmaat. Het hof komt aldus tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast acht het hof voor bovengenoemde overtredingen van de Wet arbeid vreemdelingen drie forse geldboetes van elk EUR 1.800,= een passende reactie. Het hof heeft bij de vaststelling van die geldboetes (voor zover mogelijk) rekening gehouden met verdachtes draagkracht. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 10, 10(oud), 17a (oud) en 18(oud) van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, de artikelen 8, 8(oud), 12 en 12(oud) van het Loonadministratiebesluit, de artikelen 14a(oud), 14b(oud), 14c, 23(oud), 24, 24c, 51, 57, 62, 63, 225(oud) en 231(oud) van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1(oud), 2(oud) en 6(oud) van de Wet op de economische delicten en artikel 2 van de Wet arbeid vreemdelingen. BESLISSING (bij verstek) Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht. Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij. Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert. Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde. Veroordeelt de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden. Bepaalt, dat een op 3 (drie) maanden bepaald gedeelte van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Veroordeelt de verdachte ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde tot het betalen van 3 (drie) geldboetes, van elk EUR 1.800,00 (duizend achthonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal telkens te vervangen door hechtenis voor de tijd van 23 (drieëntwintig) dagen. Dit arrest is gewezen door mr. S.C.H. Koning, mr. C.G.M. van Rijnberk en mr. S.K. Welbedacht, in bijzijn van de griffier mr. B.A.A. Postma. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 november 2006.