Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ7139

Datum uitspraak2007-01-10
Datum gepubliceerd2007-01-26
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
Zaaknummers20-001326-06
Statusgepubliceerd


Indicatie

310 sr; diefstal van een regenpak; - redelijk vermoeden van schuld; - gebezigde uitdrukking “staande gehouden” in casu geen verwijzing naar staande houding in de zin van artikel 52 Sv; - hof beschouwt de vraag van de verbalisant niet als een bevel tot uitlevering in de zin van artikel 96a van het Wetboek van Strafvordering: verbalisant heeft immers de verdachte niet bevolen een voorwerp ter inbeslagneming uit te leveren, maar heeft de verdachte enkel gevraagd om “de bult” onder de jas vandaan te halen; - voorafgaande aan de vraag van verbalisant aan verdachte om “het onder zijn jas uit te halen” was de cautie nog niet noodzakelijk, omdat er geen sprake was van een verhoor in de zin van artikel 29 Sv; voorafgaande aan de vraag van verbalisant aan verdachte hoe hij aan het regenpak kwam wel; het hierop gegeven antwoord kan derhalve niet worden gebezigd voor het bewijs; - de verklaring van verdachte afgelegd nadat hij op zijn zwijgrecht is gewezen kan niet worden gezien als een vrucht van de voor het bewijs uitgesloten – niet bekennende – verklaring; - inverzekeringstelling en duur c.q. het laten voortduren daarvan niet onrechtmatig: onderzoek naar mogelijkheden plaatsing veelpleger in hulpverleningstraject tijdens schorsing voorlopige hechtenis naar het oordeel hof een (onderzoeks)grond voor inverzekeringstelling.


Uitspraak

Parketnummer: 20-001326-06 Uitspraak : 10 januari 2007 TEGENSPRAAK Gerechtshof 's-Hertogenbosch meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 31 maart 2006 in de strafzaak met parketnummer 01-821507-05 tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats], [adres]. Hoger beroep De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen, en verdachte zal vrijspreken van het tenlastegelegde. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de eerste rechter de inhoud van de bewijsmiddelen niet in het vonnis heeft opgenomen en in strijd met het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is uitgegaan van een bekennende verdachte, hoewel diens raadsman vrijspraak had bepleit. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 04 november 2005 te Eindhoven met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een regenpak, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte. Verweren Aan verdachte wordt tenlastegelegd de diefstal van een regenpak. Verdachtes raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair verzocht om de niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie, subsidiair om bewijsuitsluiting. De raadsman heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd: ? er bestond geen redelijke vermoeden van schuld aan een strafbaar feit als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering; ? het dwangmiddel “staande houden” is ten onrechte gehanteerd; ? voorafgaand aan het verhoor van verdachte is geen cautie gegeven; ? de inverzekeringstelling van verdachte is onrechtmatig toegepast; er was vanaf het begin geen onderzoeksbelang aanwezig; ? de inverzekeringstelling heeft ten onrechte drie dagen geduurd, nu die inverzekeringstelling slechts was bedoeld om een hulpverleningstraject voor verdachte te initiëren, wat echter geen onderzoeksbelang is. De advocaat-generaal heeft het hof – kort gezegd – verzocht het verweer omtrent de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te verwerpen, doch het bevel tot uitlevering van het regenpak te bestempelen als onrechtmatig en het aantreffen van dit regenpak en de daarna door verdachte afgelegde verklaring uit te sluiten van het bewijs. Het hof overweegt het volgende. Uit het onderzoek ter terechtzitting en de processtukken is komen vast te staan dat (voorzover niet anders vermeld dossierpagina 21): a. de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op 4 november 2005 omstreeks 13:07 uur op straat worden aangesproken door een man die verklaarde dat hij twee hard lopende “junkies” op de Kempensebaan had gezien waarvan hij het vermoeden had dat deze een diefstal hebben gepleegd op de Tongelresestraat. De verbalisanten gaan direct (aanvullend proces-verbaal d.d. 22 december 2006) naar de Kempensebaan. Daar zien ze de hen ambtshalve bekende (het hof begrijpt, gelet op de vermelding op blz.6 van het proces-verbaal dat de verdachte voorkomt op de veelplegerslijst: ambtshalve bekend als pleger van vermogensdelicten) verdachte lopen in gezelschap van een andere, hen ambtshalve bekende, persoon; b. verbalisanten relateren dat zij beide personen vervolgens “staande hebben gehouden”; c. de verbalisanten zagen dat verdachte een bult onder zijn jas had, hetgeen de verbalisanten deed vermoeden dat hij iets onder zijn jas had weggestopt (aanvullend proces-verbaal d.d. 22 december 2006); d. verbalisant [verbalisant 1] verdachte vroeg “het onder zijn jas uit te halen”, waarop verdachte een regenpak onder zijn jas uit haalde; e. verbalisant [verbalisant 1] verdachte vervolgens heeft gevraagd hoe hij aan het regenpak kwam; f. verdachte hierop verklaarde dat hij dit regenpak van een neger had gekocht en dat hij hier geen aankoopbewijs van had; g. verdachte en de andere persoon vervolgens zijn aangehouden en zijn overgebracht naar het politiebureau; h. verdachte aldaar de cautie is gegeven; i. verbalisant [verbalisant 1] vervolgens aan verdachte heeft gevraagd ”waar hij nu daadwerkelijk het regenpak vandaan had”, waarop verdachte antwoordde dat hij dit pak had gestolen op de Tongelresestraat uit een fietstas; j. verdachte in verzekering is gesteld op vrijdag 4 november 2005 om 14:20 waarbij werd overwogen dat het ingestelde onderzoek nog niet was voltooid en het in het belang daarvan nodig was dat verdachte tijdens het onderzoek ter beschikking van justitie zou blijven, en voorts dat nader verhoor van de verdachte noodzakelijk was, van verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland kon worden vastgesteld en dat nader onderzoek diende te worden ingesteld naar het justitiële documentatieregister en een rapportage van de reclasseringsinstellingen (dossierpagina 13); k. verdachte op maandag 7 november 2005 in vrijheid is gesteld. Het hof komt op grond van het bovenstaande tot de volgende conclusies: I. In tegenstelling tot hetgeen verdachtes raadsman heeft betoogd, leveren de onder a en c genoemde feiten en omstandigheden naar het oordeel van het hof een redelijk vermoeden op dat verdachte zich had schuldig gemaakt aan diefstal. II. Het hof is van oordeel dat de door verbalisanten onder b gebezigde uitdrukking dat zij verdachte hadden “staande gehouden” (dossierpagina 21) kennelijk letterlijk is bedoeld in de zin dat de verbalisanten verdachte feitelijk “tot stoppen hebben gebracht”, en dat dit geen verwijzing is naar de staande houding in de zin van artikel 52 van het Wetboek van Strafvordering, zoals de raadsman heeft betoogd. De verbalisanten waren immers reeds op de hoogte van de identiteit van verdachte, aangezien deze hun ambtshalve bekend was. Zij hadden dus geen reden het dwangmiddel van artikel 52 van het Wetboek van Strafvordering toe te passen. Ze hebben ook niet gevraagd naar de personalia. III. In tegenstelling tot de advocaat-generaal, beschouwt het hof de onder d genoemde vraag niet als een bevel tot uitlevering in de zin van artikel 96a van het Wetboek van Strafvordering. De verbalisant heeft immers de verdachte niet bevolen een voorwerp ter inbeslagneming uit te leveren, maar heeft de verdachte enkel gevraagd om “de bult” onder de jas vandaan te halen. IV. Evenmin is de vraag onder d een verhoor in de zin van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering. Er is immers niet gevraagd naar de betrokkenheid van de verdachte bij een geconstateerd strafbaar feit. Het voorafgaand geven van de cautie was dan ook niet nodig. V. De onder e genoemde vraag van verbalisant [verbalisant 1] is naar het oordeel van het hof als verhoor in de zin van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering aan te merken. Verdachte is hieraan voorafgaand ten onrechte niet de cautie gegeven. Het hierop gegeven antwoord onder f kan derhalve niet worden gebezigd voor het bewijs. VI. De onder i genoemde verklaring van verdachte is afgelegd nadat verdachte was gewezen op zijn zwijgrecht (zie h). Deze verklaring kan naar het oordeel van het hof voor het bewijs worden gebruikt. Zij is niet te zien als een vrucht van de onder f bedoelde, niet-bekennende verklaring van de verdachte. VII. In tegenstelling tot hetgeen de raadsman heeft betoogd, is het hof van oordeel dat de inverzekeringstelling niet onrechtmatig is, nu de onder j genoemde gronden aanwezig waren en het dwangmiddel inverzekeringstelling tevens is bedoeld te onderzoeken of er reden is en gronden zijn voorlopige hechtenis te vorderen. VIII. De duur c.q. het laten voortduren van de inverzekeringstelling is naar het oordeel van het hof evenmin onrechtmatig, nu de inverzekeringstelling op de juiste gronden is toegepast. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting meegedeeld dat de politie in vergelijkbare gevallen onderzoekt of een “veelpleger” kan worden geplaatst in een hulpverleningstraject en zoja, dat dan de voorlopige hechtenis wordt gevorderd en tevens de schorsing daarvan, waarbij als bijzondere schorsingsvoorwaarde wordt gevorderd dat de verdachte meewerkt aan het hulpverleningstraject. Het onderzoek naar de mogelijkheid en de wenselijkheid van een dergelijke vorm van voorlopige hechtenis is naar het oordeel van het hof een (onderzoeks)grond voor inverzekeringstelling. Het feit dat het initiëren van een hulptraject, zoals in casu, niet gelukt tijdens de termijn van inverzekeringstelling, en dat de officier van justitie bij die stand van zaken afziet van het doen van een vordering tot voorlopige hechtenis, doet hieraan niet af. Op grond van het bovenstaande is er naar het oordeel van het hof geen sprake van handelingen waardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort is gedaan aan diens recht op een eerlijk proces. Derhalve is er naar het oordeel van het hof geen grond om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de strafvervolging. Evenmin is er – met uitzondering van het onder V genoemde – grond tot bewijsuitsluiting, nu het bewijs rechtmatig is verkregen. Het hof verwerpt derhalve de verweren van de raadsman. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 4 november 2005 te Eindhoven met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een regenpak, toebehorende aan [slachtoffer]. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld. Op te leggen straf of maatregel Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het hof oplegging van een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur passend en geboden. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat er, blijkens een verslag d.d. 6 december 2006 van Novadic Kentron, in het leven van de verdachte een positieve wending lijkt te zijn gekomen. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht. Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert: diefstal. Verklaart verdachte deswege strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis. Beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag. Aldus gewezen door mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter, mr. J.A. van Zon en mr. T.A. de Roos, in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoekstra, griffier, en op 10 januari 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Mr. T.A. de Roos is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.