Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ7297

Datum uitspraak2007-01-29
Datum gepubliceerd2007-01-30
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureRaadkamer
Instantie naamGerechtshof Arnhem
ZaaknummersB2006/155
Statusgepubliceerd


Indicatie

Klacht tegen gewelddadig politieoptreden.


Uitspraak

B2006m G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Beschikking inzake A. wonende te Nijmegen, klager, bijgestaan door mr P.H.M. Essink, advocaat te Nijmegen, tegen J. brigadier van politie, Regio Gelderland-Zuid, domicilie kiezende te Nijmegen beklaagde. Mr Essink heeft namens klager schriftelijk beklag gedaan over de beslissing van de officier van justitie te Arnhem van 1 februari 2006 om tegen beklaagde geen strafvervolging in te stellen. Het klaagschrift is op 28 april 2006 ter griffie van dit hof ingekomen. Het hof heeft kennisgenomen van de ambtsberichten van de officier van justitie en de hoofdofficier van justitie te Arnhem, het advies van de advocaat-generaal en de overige op deze zaak betrekking hebbende stukken, alsmede op de van de advocaat van klager op 11 januari 2007 ingekomen brief, met bijlagen. Op 23 januari 2007 is de zaak in raadkamer van dit hof behandeld. Bij de behandeling waren klager, bijgestaan door mr Essink, en beklaagde, alsmede de advocaat-generaal aanwezig. Zij zijn in raadkamer gehoord. Het beklag Op 5 juli 2004 heeft mr Essink namens klager schriftelijk aangifte gedaan van zware mishandeling, gepleegd door beklaagde op 11 juni 2004 te Nijmegen. Op grond van de stukken en het onderzoek in raadkamer staat het volgende vast. Op de bewuste dag liepen klager en zijn zus in de buurt van het Goffertstadion in Nijmegen. Zij hadden onenigheid omdat klager van zijn vader zijn zus moest ophalen en zijn zus naar een feest wilde gaan. Op dat moment passeerden beklaagde en een collega in een politiebus. Zij waren in uniform en hadden dienst. Beklaagde wilde klager aanhouden op verdenking van mishandeling door klager van diens zus. Bij deze aanhouding heeft klager zich verzet. Bij het naar de grond brengen/onder controle houden van klager is zijn -gehandicapte- rechterarm gebroken. Vervolgens is klager door beklaagde naar de politiebus gebracht, tegen de bus gezet en vervolgens in de bus geplaatst. In de bus is hij door beklaagde geslagen. Volgens klager is bij de aanhouding zijn arm gebroken en heeft hij dit dadelijk aan beklaagde kenbaar gemaakt. Die zou daar geen aandacht aan hebben besteed, klager naar de politiebus hebben gesleept, hem meermalen met zijn hoofd tegen de bus hebben geslagen en op een bank in de politiebus hebben gegooid. Al die tijd bleef klager schreeuwen van de pijn en vragen om een ambulance. Omdat klager erg veel pijn had, wilde hij claxonneren om zo de aandacht van omstanders te trekken. Hij zag toen dat beklaagde naar de bus kwam lopen en zijn handschoenen aantrok. Daarop werd klager diverse malen door beklaagde in het gezicht geslagen. Ook werd hij op zijn buik gegooid en ging beklaagde op zijn rug zitten. Door de Rijksrecherche is een onderzoek ingesteld. Beklaagde is door de Rijksrecherche gehoord. Hij heeft onder meer verklaard dat hij de bewuste dag in zijn hoedanigheid van politieman klager en zijn zusje zag lopen en zag dat klager zijn zusje een klap op haar hoofd gaf. Beklaagde riep tegen klager dat hij even moest blijven staan, waarop klager antwoordde dat hij niets met hem te maken had. Even later heeft beklaagde tegen klager gezegd dat hij moest blijven staan. Klager wilde dat niet. Hierop heeft beklaagde gezegd dat klager was aangehouden ter zake van mishandeling van zijn zusje. Klager wilde hierop weglopen. Beklaagde heeft hem bij zijn rechterschouder gepakt, waarop klager zich losrukte. Vervolgens heeft beklaagde klager bij zijn keel gepakt. Klager heeft beklaagde bij zijn benen omklemd. Beklaagde heeft klager bij zijn rechter -gehandicapte- arm gepakt, terwijl zijn collega de linkerarm van klager pakte. Beklaagde heeft de gehandicapte arm in een overstrekking gehouden om klager in bedwang te houden. Op dat moment hoorde hij klager schreeuwen dat zijn arm was gebroken. Zijn collega werd vervolgens door het zusje van klager belaagd. Volgens beklaagde bleef klager zich verzetten tegen de aanhouding. Beklaagde heeft hem bij zijn nek en zijn broekriem vastgepakt, hem fors in de richting van de bus geduwd en stevig tegen de bus aangezet. Daarna heeft beklaagde klager gezegd in de bus te stappen. Nadat klager in de bus was geplaatst, wilde beklaagde zijn collega te hulp schieten. Hij zag toen dat klager in de politiebus tekeer ging. Hij maakte de zijdeur open en zag dat klager een trappende beweging in zijn richting maakte. Klager bleef verbaal en fysiek te keer gaan. Omdat klager zich bleef verzetten, heeft beklaagde hem twee gedoseerde klappen op zijn hoofd gegeven, aldus beklaagde. Daarna heeft hij klager door middel van een armoverstrekking en een beenklem onder controle gebracht. Beklaagde heeft voorts verklaard dat hij van te voren zijn handschoenen had aangetrokken om te voorkomen dat er bloedcontact zou plaatsvinden. Hij heeft voorts verklaard dat hij geen tijd heeft gehad om zijn wapenstok te pakken en er niet aan heeft gedacht om pepperspray te gebruiken. Beklaagde heeft verder erkend dat hij wist dat klager een gehandicapte rechterarm had. Door de Rijksrecherche zijn diverse personen als getuigen gehoord. Onder meer de getuige G. heeft verklaard dat zij, toen klager naar de politiebus werd gebracht, zag dat de gehandicapte arm van klager in een vreemde stand stond. Andere getuigen hebben verklaard dat klager schreeuwde van de pijn en riep dat zijn arm gebroken was. Meerdere getuigen verklaren over het tegen de bus zetten en het slaan in de bus. De medische verklaring van 9 augustus 2004 betreffende het door klager opgelopen letsel houdt onder meer in: een armbreuk van de rechter bovenarm, een aantal schaafwonden op de rechter schouder en de rechter pols en bloeduitstortingen op de rechter bovenarmen en op de borstkast; schaafwonden in de hals; meerdere blauwen plekken en schaafwonden op de rug; een bloeduitstorting en oogwitbloeding van het linkeroog. De officier van justitie heeft op 1 februari 2006 besloten beklaagde niet te vervolgen, omdat -kort gezegd- het tegen klager gebruikte geweld proportioneel is geweest en er geen (voorwaardelijk) opzet is geweest om klager zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, zodat er geen bewijs voorhanden is voor enig door beklaagde ten opzichte van klager gepleegd strafbaar feit. De beoordeling van het beklag Klager kan als rechtstreeks belanghebbende worden beschouwd en is daarom ontvankelijk in zijn beklag. Anders dan de officier van justitie en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat uit de stukken voldoende aanwijzingen zijn te putten voor een vervolging van beklaagde ter zake van -kort gezegd- zware dan wel eenvoudige mishandeling, gepleegd tegen klager. Immers, het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later oordelend, tot een bewezenverklaring zal komen. Dit geldt ook ten aanzien van het opzet. Er is immers niet slechts de aangifte van klager maar ook de medische verklaring betreffende het letsel. Voorts heeft beklaagde erkend dat hij in zijn hoedanigheid van politieman bij de aanhouding van klager geweld heeft gebruikt. Naar het oordeel van het hof is er sprake van drie geweldsmomenten. Bij de aanhouding van klager, bij het tegen de bus zetten en vervolgens in de bus. Ingevolge de Politiewet is een politieambtenaar in het kader van de uitoefening van zijn bediening bevoegd geweld te gebruiken indien en voor zover het daarmee te bereiken doel deze geweldstoepassing rechtvaardigt (proportionaliteit) en het doel niet op een andere, minder ingrijpende wijze kan worden bereikt (subsidiariteit). Voor zover al gezegd zou kunnen worden dat het bij de aanhouding van klager door beklaagde toegepaste geweld proportioneel en subsidiair is geweest, kan dit zonder meer niet worden gezegd ten aanzien van het nadien toegepaste geweld. Een oordeel daaromtrent vergt een volledig onderzoek van de zaak. Daartoe is de behandeling door de raadkamer van het gerechtshof, optredend in het kader van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, niet het geƫigende forum. Een vervolging van beklaagde in voege als na te melden is dan ook aangewezen. Uit het voorgaande volgt dat het beklag gegrond is. Er wordt beslist als volgt. Beslissing Het hof: Beveelt dat door de officier van justitie te Arnhem een strafvervolging tegen J. zal worden ingesteld ter zake van de misdrijven omschreven in artikel 302 subsidiair artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht. Deze beschikking is gegeven door mrs Abbink, voorzitter, Mintjes en Van Waarden, raadsheren, in tegenwoordigheid van mw Roelofs, griffier, op 29 januari 2007. en ondertekend door de voorzitter en de griffier.