Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA0029

Datum uitspraak2007-02-14
Datum gepubliceerd2007-03-08
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers423-H-06
Statusgepubliceerd


Indicatie

Nevenvoorzieningen zijn, ook voor het eerst in hoger beroep, mogelijk. Oplegging dwangsom: discretionaire bevoegdheid rechter; in casu had de vrouw belang bij haar vordering, samenhangende met een doorhaling van een hypothecaire inschrijving; proceskostenveroordeling.


Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE Familiesector Uitspraak : 14 februari 2007 Rekestnummer : 423-H-06 Rekestnr. rechtbank : FA RK 04-4312 [De man], wonende te [woonplaats], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, procureur voorheen mr. H.C. Grootveld, thans mr. W. Heemskerk, tegen [de vrouw], wonende te [woonplaats], verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, procureur mr. E.J. Daalder. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De man is op 4 april 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 5 januari 2006, welke is verbeterd bij beschikking van 20 februari 2006. De vrouw heeft op 8 juni 2006 een verweerschrift ingediend. Van de zijde van de man zijn bij het hof op 23 juni 2006 en op 30 juni 2006 aanvullende stukken ingekomen. Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 12 oktober 2006 en op 17 oktober 2006 aanvullende stukken ingekomen. Op 27 oktober 2006 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. J.M. de Jonge, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. K.T.J.M. Pijls-Olde Scheper. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de man onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie. HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking, de herstelbeschikking van 20 februari 2006 en de tussenbeschikking van 1 april 2005, waarbij onder meer de gemeenschappelijke eigendom is verdeeld. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep geen grief is gericht. De echtscheidingsbeschikking is op 21 juli 2005 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. In geschil is de verdeling van de gemeenschappelijke eigendom, de afgifte van inboedelzaken en de verrekening op basis van de huwelijkse voorwaarden. Gelet op artikel 4 lid 3 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de Nederlandse rechter bevoegd om van het geschil kennis te nemen. 2. De man verzoekt de bestreden beschikking, voor zover betrekking hebbend op de beslissing ten aanzien van de rente en aflossing op de hypothecaire geldlening en de aan de man opgelegde dwangsom in verband met de doorhaling van de tweede hypotheek op de woning te [woonplaats], te vernietigen en, opnieuw beschikkende te bepalen – uitvoerbaar bij voorraad –: a) dat de man tot een bedrag van € 146.968,79 meer heeft bijgedragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, althans tot een bedrag dat het hof juist acht; b) dat de vordering van de vrouw met betrekking tot het aan de man opleggen van dwangsommen in verband met royement van de tweede hypothecaire inschrijving op de woning te [woonplaats], wordt afgewezen; c) dat de vrouw aan de man de aan de man toebehorende inboedelzaken, gespecificeerd op de bij het beroepschrift als productie 3 overlegde lijst, dient af te geven binnen één week nadat de op deze vordering betrekking hebbende beschikking door het hof wordt uitgesproken, op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per dag voor iedere dag dat de vrouw met afgifte van de eigendommen van de man in gebreke blijft; d) dat de vrouw aan de man een bedrag van € 22.000,- dient te betalen op grond van artikel 4 van de akte van huwelijkse voorwaarden; en e) dat de vrouw wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure. 3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en heeft verzocht de man te veroordelen in de kosten van de procedure. Zij heeft daarbij gesteld dat de man in de verzoeken onder c) en d) niet-ontvankelijk is, nu niet voor het eerst in hoger beroep een zelfstandig verzoek kan worden gedaan en niet meer gesproken kan worden van een nevenvoorziening, nu de echtscheiding al geruime tijd geleden is ingeschreven. 4. Het hof is van oordeel dat de verzoeken van de man onder c) en d) te gelden hebben als nevenverzoeken, ook nu de echtscheidingsbeschikking reeds is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Op basis van artikel 827 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan voor het eerst in hoger beroep een verzoek tot het treffen van een nevenvoorziening worden ingediend. De man is dan ook ontvankelijk in beide verzoeken. 5. In zijn eerste grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte de man niet toegelaten heeft tot het bewijs van zijn stelling, dat hij meer dan naar evenredigheid heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding. De man heeft stortingsbewijzen overgelegd, welke (een begin van) bewijs vormen, dat hij aanzienlijk meer dan de helft van de rente en aflossing op de hypothecaire lening met bettrekking tot de woning in [woonplaats] heeft voldaan. Daarnaast betaalde de man ook meer dan de helft van de overige kosten van de huishouding, zoals energiekosten, dagelijkse boodschappen, verzekeringen, onderhoud van huis en tuin enzovoort. De man kan door middel van getuigen bewijzen dat hij deze kosten grotendeels voor zijn rekening nam. Hij kan bovendien door middel van getuigen aantonen dat de vrouw aanzienlijke bedragen vanuit Nederland en/of België naar Zwitserland heeft gebracht. Om te beoordelen of elk van de echtgenoten naar rato van zijn of haar inkomen heeft bijgedragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, moet ook gekeken worden naar het salaris van beide partijen. De man wenst alsnog toegelaten te worden tot het door hem aangeboden bewijs en hij verzoekt de vrouw opgave te doen van haar inkomen. 6. De vrouw heeft gesteld dat het bewijsaanbod van de man te vaag is. Hij zegt niet precies wat hij bewijzen wil en evenmin wie hij als getuige wil horen. De man had moeten aangeven waarom de door de rechtbank voor de weigering van het bewijsaanbod aangedragen gronden niet relevant of niet voldoende zijn. De opmerking over gelden in Zwitserland kan de vrouw niet plaatsen en is feitelijk onjuist, zo stelt zij. Voorts heeft de vrouw in punt 7 van haar verweerschrift gesteld dat de man tijdens zijn huwelijk het overgrote deel van zijn inkomsten aan partner alimentatie diende te betalen aan zijn ex-echtgenote. De man kan volgens de vrouw onmogelijk beweren dat hij meer naar evenredigheid heeft bijgedragen in de kosten van het huishouding gedurende het huwelijk. 7. Het hof overweegt als volgt. Grief 1 dient in samenhang gelezen te worden met hetgeen de man onder punt a van zijn petitum vordert. In punt 7 van zijn aantekeningen ten behoeve van de mondelinge behandeling van 11 februari 2005 stelt de man dat hij in de periode van 1 juli 1997 tot 1 januari 2005 aan rente en aflossing heeft betaald een bedrag van € 146.968,79. In de tussenbeschikking van 1 april 2005 van de rechtbank heeft de rechtbank overwogen dat de rente en aflossing over de periode van 1 juli 1997 tot 10 december 1999 niet voor verrekening in aanmerking komt ingevolge de huwelijkse voorwaarden. Partijen waren toen nog niet gehuwd. De rechtbank heeft de man bij voormelde tussenbeschikking toegelaten om zijn vordering nader te onderbouwen. 8. Bij brief van 15 juni 2005 heeft de man gesteld dat hij ten behoeve van de woning in de loop der jaren een bedrag van € 217.000,00 aan zijn privé vermogen heeft ontrokken terwijl de vrouw volgens de man onder die zelfde titel een bedrag van afgerond € 89.000,00 heeft voldaan. In zijn brief gaat hij niet in op andere kosten van de huishouding die door hem zijn voldaan. Het debat van partijen spitst zich toe op de kosten van het woonhuis te [woonplaats]. 9. In punt a van zijn petitum in hoger beroep vordert de man een verklaring voor recht dat de man een bedrag van € 146.968,79 meer heeft bijgedragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, althans tot een zodanig bedrag als het hof in goede justitie vermeent te behoren. In eerste aanleg kwalificeert de man het bedrag van € 146.968,79 als rente en aflossing met betrekking tot de periode van 1 juli 1997 tot 1 januari 2005. Zonder nadere motivering vordert de man in hoger beroep een verklaring voor recht dat hij tot een bedrag van € 146.968,79 – naar het hof begrijpt over de huwelijkse periode – meer heeft bijgedragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding dan de vrouw. 10. Het hof is van oordeel dat de man terzake zijn vordering zoals vermeld onder a van zijn petitum niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. De man heeft niet inzichtelijk gemaakt welke kosten van de huishouding hij in de huwelijkse periode heeft voldaan en welk deel hij van de door hem betaalde kosten van de vrouw vordert. Voorts heeft de man niet inzichtelijk gemaakt wat de omvang van de kosten van de huishouding is geweest in de huwelijkse periode noch heeft hij gesteld welk aandeel daarvan voor rekening van de vrouw dient te komen. Zonder enig kader aan te geven vraagt hij een verklaring voor recht zoals vermeld onder punt a van zijn petitum. Een goede procesorde brengt met zich mede dat de man zijn vordering voldoende had dienen te onderbouwen. 11. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat niet aan bewijslevering kan worden toegekomen aangezien de man zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd. De man is al in de tussenbeschikking van 1 april 2005 door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om zijn vordering nader te onderbouwen. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank in de laatste overweging op pagina 4 overwogen dat hij zijn vordering onvoldoende had onderbouwd. In hoger beroep geeft de man wederom geen nadere onderbouwing voor zijn stelling dat hij tot een bedrag van meer dan € 146.968,79 in de kosten van de huishouding heeft bijgedragen. 12. In zijn tweede grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald, dat hij een dwangsom van € 1.000,- dient te betalen voor iedere dag na 5 februari 2006 dat de doorhaling van de (tweede) hypothecaire inschrijving bij de ING Bank op de voormalige echtelijke woning niet plaatsheeft. De man voert daartoe aan dat hij afhankelijk was van de medewerking van de vrouw en dat zij die medewerking niet heeft gegeven. Wel maakt zij nu aanspraak op betaling van € 51.000,- aan dwangsommen. 13. De vrouw betwist dat zij de afwikkeling vertraagd heeft en stelt dat de man in deze procedure niet de executie met betrekking tot de verbeurde dwangsommen aan de orde kan stellen. 14. Het hof overweegt als volgt. De rechter heeft bij het opleggen van een dwangsom een discretionaire bevoedheid. De rechter is volledig vrij in het bepalen van zowel de hoogte als de frequentie van de te verbeuren dwangsommen. Naar het oordeel van het hof had en heeft de vrouw er een redelijk belang bij dat de man ervoor zorg draagt dat de tweede hypothecaire inschrijving bij de ING Bank op de onroerende zaak te [woonplaats] wordt doorgehaald. Op grond van dit belang is het gerechtvaardigd dat de rechter een dwangsom heeft opgelegd. Ook in hoger beroep heeft de man niet aangetoond dat er gegronde redenen aanwezig zijn op grond waarvan hij niet kan zorgdragen voor de doorhaling van de tweede hypothecaire inschrijving. Uit de gewisselde stukken volgt expliciet dat de vrouw al datgene in het werk stelt om tot een spoedige afwikkeling te komen terzake de levering van de onroerende zaak te [woonplaats]. 15. De man heeft onder c) verzocht te bepalen – kort gezegd – dat de vrouw de aan de man toebehorende inboedelgoederen moet afgeven, zulks op straffe van een dwangsom. De vrouw heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. 16. Het hof is van oordeel dat het verzoek van de man moet worden afgewezen, nu hij, terwijl dit is betwist door de vrouw, niet heeft aangetoond dat de desbetreffende inboedelgoederen zijn eigendom zijn. 17. De man heeft onder d) verzocht te bepalen, dat de vrouw aan de man € 22.000,- dient te betalen in verband met door de man betaalde inboedelzaken en stoffering voor een aan de vrouw toebehorend appartement in Spanje, gelet op de huwelijkse voorwaarden. De vrouw heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. 18. Het hof is van oordeel dat het verzoek van de man dient te worden afgewezen, nu de vrouw heeft verklaard dat de man de door hem aangeschafte inboedelgoederen kan komen halen, zodat er geen reden is de vrouw € 22.000,- te laten betalen. 19. Het vorenstaande brengt met zich mede dat de bestreden beschikking onder aanvulling van de gronden moet worden bekrachtigd. 20. Gezien de proceshouding van de man acht het hof het onder de gegeven omstandigheden redelijk en billijk om de man in de kosten van het hoger beroep te veroordelen. BESLISSING OP HET HOGER BEROEP Het hof: bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; veroordeelt de man in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de vrouw tot aan deze uitspraak bepaald op € 2.036,-, gespecificeerd als volgt: - € 248,- vast recht; - € 1.788,- salaris procureur. wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Dusamos en Kleykamp-van der Ben, bijgestaan door mr. Martens als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 februari 2007.