Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA0272

Datum uitspraak2007-03-09
Datum gepubliceerd2007-03-09
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/4502 en 04/6322 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

WAO-schatting.


Uitspraak

04/4502 en 04/6322 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 augustus 2004, 04/496 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 9 maart 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. H.W. Bemelmans, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het Uwv heeft een nieuwe beslissing op bezwaar afgegeven en deze bij brief van 28 november 2006 aan de Raad gezonden. Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten. II. OVERWEGINGEN Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 20 december 2000 heeft het Uwv aan appellante medegedeeld dat haar uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, met ingang van 21 februari 2001 wordt vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Appellante heeft op 20 januari 2001 tegen dit besluit bezwaar gemaakt, aangevuld door haar gemachtigde bij brief van 17 mei 2001. Op 29 januari 2002 heeft het Uwv een beslissing op bezwaar afgegeven, waarbij het bezwaar van appellante ongegrond is verklaard. Namens appellante is op 30 januari 2002 beroep hiertegen ingesteld. De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 3 februari 2003 het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 29 januari 2002 gegrond verklaard. Bij nieuwe beslissing op bezwaar van 12 maart 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante gemaakte bezwaar van 20 januari 2001 tegen het besluit van 20 december 2000 wederom ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het namens appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en tevens beslist over de vergoeding van proceskosten en griffierecht. Namens appellante is op 18 augustus 2004 tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld. Naar aanleiding van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv op 28 november 2006 een nieuwe beslissing op bezwaar afgegeven, waarbij het bezwaar van appellante alsnog gegrond is verklaard. Bij brief van eveneens 28 november 2006 heeft het Uwv aan de Raad medegedeeld dat het bestreden besluit en het primaire besluit niet langer worden gehandhaafd. Het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellante is met ingang van 21 februari 2001 onveranderd vastgesteld op 55 tot 65. In reactie op bovengenoemde brief van het Uwv is namens appellante aangegeven dat er geen belang meer bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van het geschil. Voorts is namens appellante verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep alsmede tot vergoeding van de wettelijke rente. De Raad overweegt als volgt. Met de nieuwe beslissing op bezwaar van 28 november 2006 is naar het oordeel van de Raad geheel tegemoet gekomen aan het beroep van appellante. Dientengevolge heeft de Raad het hoger beroep van appellante onder toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet mede gericht geacht tegen de nieuwe beslissing op bezwaar van 28 november 2006. Voorts volgt uit ’s Raads uitspraak van 4 februari 1997 (LJN: ZB6628) dat in een geval waarin volledig tegemoet wordt gekomen aan het beroep tegen een besluit, belang bij een beoordeling van dat besluit in beginsel is komen te vervallen, tenzij van zo’n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb. Nu namens appellante een dergelijk verzoek is gedaan heeft zij belang behouden bij handhaving van het hoger beroep en bevestiging van de aangevallen uitspraak waarbij het beroep tegen het bestreden besluit reeds is gegrond verklaard en dat besluit is vernietigd, zij het op andere gronden. Aangezien met de nieuwe beslissing van 28 november 2006 de onrechtmatigheid van het bestreden besluit vast is komen te staan, zal de Raad daartoe overgaan. Ingevolge ’s Raads jurisprudentie dient het verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb te worden toegewezen. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellante toekomende vergoeding van de schade, bestaande uit de wettelijke rente over de na te betalen uitkering, dient te berekenen volstaat de Raad met te verwijzen naar zijn uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995/413. Ten aanzien van het verzoek tot vergoeding van de proceskosten overweegt de Raad het volgende. Nu het Uwv niet heeft betwist dat aldus aan appellante tegemoet is gekomen, ziet de Raad aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De Raad stelt vast dat, aangezien de rechtbank bij de aangevallen uitspraak reeds heeft beslist ten aanzien van de proceskosten in eerste aanleg en daartegen geen grieven zijn aangevoerd, hier slechts de in hoger beroep gemaakte kosten ter beoordeling staan. Deze proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Deze kosten dienen te worden betaald aan de griffier van de Raad aangezien ten behoeve van appellante in hoger beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit; Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de schade als hiervoor aangegeven; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellante tot een bedrag van € 322,- , te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het gestorte recht van € 102,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2007. (get.) T.L. de Vries. (get.) P.H. Broier. JL