Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA0701

Datum uitspraak2007-03-02
Datum gepubliceerd2007-03-14
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Breda
Zaaknummers170928 JE RK 07-188
Statusgepubliceerd


Indicatie

Artikel 1:258 BW, schriftelijke aanwijzing gezinsvoogdijinstelling. De rechtbank heeft geoordeeld dat de schriftelijke aanwijzing van de gezinsvoogdijinstelling dat de moeder van een onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst kind een persoonlijkheidsonderzoek zou moeten ondergaan, verder gaat dan artikel 1:258 bedoelt.


Uitspraak

RECHTBANK BREDA Sector civiel recht Team familierecht Enkelvoudige Kamer Zaaknummer: 170928 JE RK 07-188 2 maart 2007 Beschikking in de zaak van [naam moeder] wonende te [woonplaats], moeder van na te noemen minderjarige, procureur mr. W.J.G. Schröder, en de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd Dalsteindreef 69, 1112 XC Diemen, hierna te noemen de stichting, namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, gevestigd te Eindhoven, betreffende de minderjarige [naam minderjarige], geboren te [woonplaats] op [geboortedatum]. 1. Het verloop van het geding Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 7 februari 2007 ingekomen verzoekschrift met bijlagen, waaronder de schriftelijke aanwijzing van 1 februari 2007 van de stichting aan de moeder en de aanwijzing vaststelling bezoekregeling van 1 februari 2007 van de stichting aan de moeder; - de op 22 december 2006 gegeven beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank; - het verslag van het verloop van de hulpverlening over de periode oktober 2006 tot en met januari 2007; - de observatielijsten begeleide bezoeken van 8 januari, 23 januari en 29 januari 2007; - het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 februari 2007. 2. Het verzoek De moeder verzoekt de rechtbank de hierna te vermelden schriftelijke aanwijzingen geheel vervallen te verklaren. 3. De beoordeling 3.1 Bij beschikking van 22 december 2006 is de minderjarige onder toezicht gesteld van de stichting tot uiterlijk 22 december 2007 en is deze gemachtigd de minderjarige uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot uiterlijk 22 maart 2007. In de procedure met kenmerk 170925 JE RK 07-186 heeft de stichting verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige te verlengen. Daarop wordt heden separaat beslist. 3.2 De schriftelijke aanwijzing met referentie 002352/GTORR/lb van 1 februari 2007 strekt tot het door de moeder verlenen van haar medewerking aan een te verrichten persoonlijkheidsonderzoek (A). De aanwijzing vaststelling bezoekregeling met referentie 002346/GTORR/lb van 1 februari 2007 strekt tot het vaststellen van een bezoekregeling met een frequentie van 1 maal per 3 weken gedurende 1 uur, welke plaatsvindt in het pleeggezin met een begeleider van de Zuidwester, waarbij de stichting 26 februari 2007 van 14:00 uur tot 15:00 uur en 19 maart 2007 van 14:00 uur tot 15:00 uur heeft aangewezen als data van volgende bezoeken (B). Ad. A. Schriftelijke aanwijzing met betrekking tot het persoonlijkheidsonderzoek. 3.3 Ter onderbouwing van het besluit over te gaan tot voornoemde schriftelijke aanwijzing is door de stichting gesteld dat moeder beschikt over beperkte verstandelijke vermogens en een belast verleden, waardoor zij de minderjarige de noodzakelijke zorg niet kan bieden. De stichting acht het noodzakelijk dat moeder een persoonlijkheidsonderzoek laat verrichten teneinde zicht te krijgen op haar problematiek en haar (on)mogelijkheden. De uitslag hiervan zal mede bepalend zijn voor de eventueel verder te nemen stappen in de hulpverlening. 3.4 De moeder legt aan haar verzoek ten grondslag dat de stichting met de schriftelijke aanwijzing buiten de haar toegekende wettelijke bevoegdheden treedt, met name zoals gesteld in artikel 1:258 BW. Zij ziet niet in dat het opgelegde persoonlijkheidsonderzoek direct de verzorging en opvoeding van [naam minderjarige] betreft. Moeder onderschrijft wel dat een onderzoek naar haar (on)mogelijkheden in de verzorging en opvoeding noodzakelijk is en zij realiseert zich dat het niet meewerken aan dit onderzoek gevolgen kan hebben voor het continueren van de uithuisplaatsing. Nu het niet voldoen aan schriftelijke aanwijzingen kan leiden tot ontzetting uit het ouderlijk gezag, heeft moeder recht en belang bij vervallen- verklaring. 3.5 In reactie hierop is door de stichting aangevoerd dat moeder in het belang van haar zoon dringend wordt geadviseerd een persoonlijkheidsonderzoek te ondergaan. In grotere lijnen heeft het onderzoek betrekking op de opvoeding en de verzorging van [naam minderjarige] omdat hieruit moeders vaardigheden moeten blijken. Momenteel blijkt uit de begeleide bezoeken van moeder aan haar kind dat zij moeilijk begeleidbaar is en strijd opzoekt, aldus de vertegenwoordiger van de stichting. 3.6 De kinderrechter overweegt als volgt. Krachtens artikel 1:258 BW kan de stichting schriftelijke aanwijzingen geven aan de gezagdragende ouder betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De aanwijzing moet het doel van de ondertoezichtstelling dienen en mag niet in strijd komen met het recht. Nu de onderhavige aanwijzing inhoudt dat de moeder een persoonlijkheids-onderzoek dient te ondergaan, kan deze naar het oordeel van de kinderrechter – hoe zeer ook van belang met het oog op de toekomst van de minderjarige – niet worden aangemerkt als een aanwijzing die rechtstreeks de verzorging en opvoeding van het kind aangaat. Daar komt bij dat zulk een onderzoek zodanig ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer van moeder dat de aanwijzing niet proportioneel is aan hetgeen de stichting daarmee wil bereiken. Het voorgaande brengt mee dat deze aanwijzing vervallen moet worden verklaard. Ad. B. Aanwijzing vaststelling bezoekregeling 3.7 De moeder legt aan haar verzoek tot vervallenverklaring van deze aanwijzing ten grondslag dat de door de stichting gegeven aanwijzing bezoekregeling een te beperkte invulling van de beschikking van 22 december 2006 betekent. De wijze van uitvoering zoals neergelegd in deze aanwijzing laat geen groei toe in het stapsgewijs en zorgvuldig toewerken naar een hereniging van [naam minderjarige] met zijn moeder. Tevens heeft moeder bezwaar tegen het feit dat de bezoeken in het pleeggezin dienen plaats te vinden. Volgens moeder beperkt dit haar om daadwerkelijk contact met [naam minderjarige] te hebben en staat het haar in de weg te bewijzen dat zij verantwoord met [naam minderjarige] kan omgaan. Voorts geldt als bezwaar dat moeder met een begeleider van de Zuidwester komt. De reisafstand met het openbaar vervoer en het bezoek van 1 uur nemen gezamenlijk 6 uren in beslag en moeder is medegedeeld dat de begeleider niet in staat is gedurende dat aantal uren met verzoekster mee te gaan. Moeder is dan ook de mening toegedaan dat de frequentie van de bezoekregeling omhoog moet en dat het bezoek bij moeder moet plaatsvinden. De thans opgelegde duur en frequentie van de omgang lijkt voort te bouwen op een perspectief-plaatsing in het pleeggezin, met moeder op afstand, hetgeen in strijd is met genoemde beschikking van 22 december 2006, aldus moeder. 3.8 In reactie hierop is door de stichting aangevoerd dat [naam minderjarige] na de bezoeken van moeder in het pleeggezin thans reeds erg van slag is en dat dit, indien het kind zou moeten reizen, nog erger zou zijn . 3.9 De kinderrechter overweegt als volgt. Uit het verslag betreffende het verloop van de hulpverlening en met name het verloop van de bezoeken blijkt dat de bezoekcontacten moeizaam verlopen en dat [naam minderjarige] na afloop geruime tijd ontregeld is. De duur daarvan is wel korter sinds de bezoeken niet meer bij de stichting, maar in het pleeggezin plaatsvinden. Gelet op de heftige reactie van [naam minderjarige] op de bezoeken en rekening houdend met het feit dat, bij gebreke van een rapport, onvoldoende inzicht bestaat in de persoonlijkheid en vaardigheden van de moeder acht de kinderrechter op dit moment de aangepaste frequentie van de bezoekregeling redelijk en overeenkomstig de zwaarwegende belangen van de minderjarige. Indien het verzoek van moeder om de bezoeken op haar huidige adres te laten plaatsvinden zou worden gehonoreerd, zou dit betekenen dat in plaats van de moeder het kind meerdere uren zou moeten reizen voor een contact van één uur. De kinderrechter acht dit niet in het belang van het kind. Tenslotte acht de kinderrechter het in het belang van [naam minderjarige] dat de bezoekcontacten in begeleide vorm blijven plaatsvinden. Dit houdt in dat in ieder geval de gezinsvoogd hierbij aanwezig zal dienen te zijn. Naar de kinderrechter begrijpt is de begeleiding van moeder door de Zuidwester enkel ingegeven door háár belang. Gelet op het vorenstaande komt de kinderrechter tot het oordeel dat de stichting in redelijkheid heeft kunnen komen tot deze aanwijzing vaststelling bezoekregeling, nu de gewenste medewerking niet door overleg en overreding kon worden bereikt en de aanwijzing het doel van de ondertoezichtstelling dient. Voorts is de kinderrechter van oordeel dat deze aanwijzing in overeenstemming met de in de Algemene wet bestuursrecht gestelde vereisten tot stand is gekomen. Het verzoek van de moeder ter zake van deze aanwijzing zal derhalve worden afgewezen. 4. De beslissing De kinderrechter verklaart de op 1 februari 2007 door de stichting gegeven schriftelijke aanwijzing met betrekking tot het persoonlijkheidsonderzoek (referentie 002352/GTORR/lb) vervallen; wijst het verzoek van de moeder met betrekking tot de op 1 februari 2007 door de stichting gegeven schriftelijke aanwijzing tot vaststelling bezoekregeling (002346/GTORR/lb) af. Deze beschikking is gegeven door mr. Gimbrère-Straetmans, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 maart 2007 in tegenwoordigheid van Dekkers, griffier. verzonden op: