Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA0756

Datum uitspraak2006-05-24
Datum gepubliceerd2007-03-15
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersR200501344
Statusgepubliceerd


Indicatie

Het hof berekent procentsgewijs naar rato van hun draagkracht in hoeverre de man en de vrouw dienen bij te dragen in de behoefte van de bij de vrouw verblijvende kinderen.


Uitspraak

EB 24 mei 2006 Rekestenkamer Rekestnummer R200501344 GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Beschikking In de zaak in hoger beroep van: [X.], [wonende te [woonplaats], appellant, de man, procureur mr. M.C.W. van der Zanden, t e g e n [Y.[, wonende te [woonplaats], geïntimeerde, de vrouw, procureur mr. J.A.J. Dappers. 1. Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 30 september 2005, waarvan de inhoud bij partijen bekend is. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 23 december 2005, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet ontvankelijk te verklaren en/of haar verzoek af te wijzen als rechtens ongegrond en/of onvoldoende gemotiveerd, subsidiair geen hogere bijdrage ten behoeve van de kinderen van partijen aan de man op te leggen en aan de vrouw te voldoen dan de maximale bijdrage aldus productie veertien bij verweerschrift in eerste aanleg uitwijst en dit eerst met ingang van 1 maart 2006, subsidiair een in goede justitie te bepalen datum niet gelegen voor 30 september 2005, kosten rechtens. 2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 23 januari 2006, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te bekrachtigen en de man in zijn verzoeken niet ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn verzoeken als ongegrond of onvoldoende gemotiveerd af te wijzen. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 april 2006. Bij die gelegenheid zijn de man en zijn advocaat mr. Van der Zanden en de vrouw en haar advocaat mr. Keijzers gehoord. 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - de producties, overgelegd bij het beroep- en verweerschrift; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 26 augustus 2005; - een brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw, d.d. 7 april 2006; - een brief met bijlagen van de advocaat van de man, d.d. 10 april 2006; - een stuk betreffende kosten kinderopvang, overgelegd ter zitting door de advocaat van de vrouw. 3. De gronden van het hoger beroep Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift. 4. De beoordeling 4.1. Partijen zijn op 16 juli 1993 met elkaar gehuwd. De tussen hen gewezen echt-scheidingsbeschikking van 3 december 1999 van de rechtbank te 's-Hertogenbosch is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 11 februari 2000. 4.2. Uit het huwelijk van partijen zijn geboren: - [A.], op [geboortejaar] te [geboorteplaats], - [B.], op [geboortejaar] te [geboorteplaats], over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw. 4.3. Bij de echtscheidingsbeschikking van 3 december 1999, waarvan wijziging wordt gevraagd, heeft de rechtbank bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van bovengenoemde kinderen moet voldoen een bedrag van € 124,79 per kind per maand. De bijdragen voor de kinderen belopen ingevolge de wettelijke indexering op dit moment € 146,48 per kind per maand. 4.3.1. In eerste aanleg heeft de vrouw na wijziging van haar verzoek de rechtbank ‘s-Hertogenbosch verzocht de beschikking van 3 december 1999 te wijzigen in die zin dat de onderhoudsbijdrage met ingang van 15 februari 2005 nader wordt vastgesteld op € 255,- per kind per maand, althans wordt vastgesteld op een bedrag hoger dan de huidige bijdrage en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht. De vrouw heeft aan haar verzoek wijziging van omstandigheden ten grondslag gelegd. Zij heeft hiertoe gesteld dat het inkomen van de man is toegenomen en dat zijn lasten zijn gedaald. Nadat de man tegen dit verzoek verweer heeft gevoerd heeft de rechtbank de beschikking van 3 december 1999 gewijzigd en de bijdragen ten behoeve van de minderjarige kinderen van partijen met ingang van 15 februari 2005 nader vastgesteld op € 255,- per kind per maand. 4.4. De man kan zich niet met deze beslissing verenigen en komt hiervan in hoger beroep. De man voert hiertoe elf grieven aan die betrekking hebben op de ontvankelijkheid van het verzoek van de vrouw in eerste aanleg, de ingangsdatum, de behoefte van de kinderen, zijn draagkracht, de lasten van de vrouw en de draagkrachtvergelijking van partijen. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Ontvankelijkheid 4.5. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de toename van zijn inkomen en de wijziging van zijn lasten, voldoende aanleiding vormen om over te gaan tot een hernieuwde beoordeling van de financiële situatie van partijen. Volgens de man komen slechts die wijzigingen van omstandigheden in aanmerking waardoor de aanvankelijk overeengekomen of vastgestelde bedragen niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoen. In zijn tweede grief stelt de man dat er geen relevante wijzigingen zijn, nu er geen sprake is van een bijzondere toename van het inkomen van de man anders dan door gewone indexeringen waarin de indexeringsregeling voor de kinderalimentatie al voorziet en het overwerk in het jaar 2004 ingevolge deelname aan de ondernemingsraad. Evenmin is volgens de man sprake van een afname van zijn lasten. 4.6. Volgens de vrouw is aan de zijde van de man sprake van een wijziging in zijn inkomen. In 1999 bedroeg het inkomen van de man € 29.240,- en in 2004 € 35.363,-, derhalve een verhoging die gebaseerd is op meer dan slechts indexeringen. Voorts stelt de vrouw dat de schulden, waarmee ten tijde van de echtscheiding rekening is gehouden, inmiddels afgelost kunnen zijn, waardoor er een wijziging optreedt aan de lastenkant van de man. 4.7. Na vergelijking van de procentuele stijging van het inkomen van de man met de procentuele stijging waarin de indexeringsregeling van alimentatie voorziet, komt het hof tot het oordeel dat het inkomen van de man meer is gestegen dan op grond van uitsluitend de indexering het geval zou zijn geweest. Daarnaast is het hof, zoals hieronder onder 4.17 wordt overwogen, gebleken dat de schuld van de man aan de Postbank thans afgelost had kunnen zijn, zodat er ook sprake is van een relevante wijziging aan de lastenkant van de man. Op grond van het bovenstaande is er, naar het oordeel van het hof, sprake van een relevante wijziging van omstandigheden die aanleiding vormt om tot een hernieuwde beoordeling van de financiële situatie van partijen te komen. De vrouw is derhalve ontvankelijk in haar inleidend wijzigingsverzoek. Ingangsdatum wijziging 4.8. De man stelt dat de datum van de beschikking als gebruikelijke ingangsdatum geldt. Uitsluitend indien de man terzake iets te verwijten zou zijn past een ingangsdatum gelegen vóór 12 augustus 2005, zijnde de datum waarop de vrouw haar financiële gegevens heeft neergelegd bij de rechtbank en er een beoordeling kon plaatsvinden op haar verzoek van 16 februari 2005. Volgens de man is het om die redenen dat de rechtbank hem niet ongemotiveerd mag belasten met een hogere kinderalimentatie waarmee hij in redelijkheid geen rekening hoefde te houden en ook geen rekening kon houden nu hij een fictieve draagkracht krijgt aangemeten. De man had geen draagkrachtruimte in de periode medio februari 2005 tot 30 september 2005 en feitelijk nog niet en kan dus eerst per 1 oktober 2005 kort na kennisname van de beschikking en niet eerder dan 12 augustus 2005 rekening houden met een hogere alimentatie. 4.9. De vrouw brengt hier tegen in dat de man al vanaf de datum van het verzoekschrift rekening had kunnen houden met een hogere bijdrage. De vrouw heeft reeds in september 2004 aan de man kenbaar gemaakt dat zij de alimentatie wilde toetsen en daartoe om zijn financiële gegevens gevraagd. 4.10. Naar het oordeel van het hof was de man in ieder geval op 16 februari 2005 –datum verzoekschrift- bekend met het feit dat de vrouw de rechtbank om een hogere kinderalimentatie had verzocht. De man had derhalve vanaf deze datum er rekening mee kunnen houden dat de rechtbank het door de vrouw gevraagde bedrag, of in ieder geval een hoger bedrag dan het geldende bedrag, zou kunnen toewijzen. Derhalve zal het hof, net als de rechtbank, uitgaan van 16 februari 2005 als ingangsdatum van de wijziging. Behoefte 4.11. Verder stelt de man dat de rechtbank bij het vaststellen van de behoefte van de kinderen is uitgegaan van een onjuist netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen ten tijde van het huwelijk. Volgens de man zijn partijen bij het opstellen van het echtscheidingsconvenant uitgegaan van een netto besteedbaar gezinsinkomen van fl. 5.700,- (€ 2.590,90). Derhalve bedraagt de behoefte van de kinderen samen niet meer dan € 610,-. Bovendien, zo stelt de man, is de rechtbank ten onrechte bij de berekening van het netto gezinsinkomen uitgegaan van een vakantietoeslag van 8 %. 4.12 De vrouw bestwist dat partijen bij het opstellen van het convenant zouden zijn uitgegaan van een netto besteedbaar gezinsinkomen van fl. 5.700,-. Volgens de vrouw moet worden uitgegaan van de gegevens die voorhanden zijn, te weten de loonstroken van partijen van juni 1999. Naar de mening van de vrouw is de rechtbank uitgegaan van een vakantietoeslag van 5% netto. 4.13. Ter zitting heeft de man zijn grief tegen het door de rechtbank gehanteerde percentage vakantietoeslag ingetrokken, zodat deze grief door het hof geen bespreking behoeft. De door de man gestelde afspraak betreffende een netto besteedbaar gezinsinkomen van fl. 5.700,- per maand blijkt niet uit de stukken en wordt bovendien door de vrouw betwist. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de rechtbank bij berekening van het netto besteedbaar inkomen van partijen in 1999 terecht is uitgaan van de loonstroken van de man en de vrouw van juni 1999. Het hof gaat derhalve evenals de rechtbank uit van een netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk van € 2.865,- per maand, waarmee een behoefte van de kinderen correspondeert van € 660,- per maand. Deze behoefte bedraagt ingevolge de wettelijke indexering per 1 januari 2005 (afgerond) € 787,- per maand, of te wel € 393,50 per kind per maand. Financiële situatie man 4.14. De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de hem opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te kunnen betalen. De man voert hiertoe grieven aan tegen de overweging van de rechtbank ten aanzien van de aanvullende premie ziektekostenverzekering, het niet meenemen van de schuld aan de Postbank en van de door hem opgevoerde advocaatkosten. 4.15. Met betrekking tot de financiële situatie van de man gaat het hof uit van de navolgende gegevens. Voorzover die gegevens door de vrouw in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel. Het is het hof gebleken dat de man met ingang van 1 februari 2006 samen met zijn nieuwe partner een woonark heeft gekocht en is gaan samenwonen. Voorts is gebleken dat per 1 april 2006, door de afname van het bouwdepot, de woonlasten van de man zijn gestegen en dat vanaf die datum de man en zijn nieuwe partner een levensverzekering hebben afgesloten. Gelet op het voorgaande zal het hof voor wat betreft de financiële situatie van de man uitgaan van drie verschillende periodes, te weten: 1. de periode van 16 februari 2005 tot 1 februari 2006; 2. de periode van 1 februari 2006 tot 1 april 2006; 3. de periode met ingang van 1 april 2006. a. Inkomen van de man 4.16. Overeenkomstig hetgeen partijen hierover ter zitting hebben afgesproken gaat het hof uit van een fiscaal jaarloon aan de zijde van de man van € 35.363,-, zoals vermeld op de jaaropgave van 2004. Dit bedrag dient nog vermeerderd te worden met het spaarloon, zijnde € 612,96 bruto per maand. Voornoemd inkomen resulteert in een netto besteedbaar inkomen aan de zijde van de man van € 2.266,- voor wat betreft de periode van 16 februari 2005 tot 1 februari 2006. Hierbij is in fiscaal opzicht rekening gehouden met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, een hypotheekrente van € 5.316,- op jaarbasis, een eigenwoningforfait van € 912,- en de verschuldigde inkomstenbelasting. Voor wat betreft de periode van 1 februari 2006 tot 1 april 2006 resulteert voornoemd inkomen van de man in een netto besteedbaar inkomen van € 2.189,-, waarbij in fiscaal opzicht rekening is gehouden met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, een hypotheekrente van € 2.925,- op jaarbasis, een eigenwoningforfait van € 1.410,- (uitgaande van de door de man ter zitting naar voren gebrachte waarde van de woonark van € 235.000,-) en de verschuldigde inkomstenbelasting. Vanaf 1 april 2006 resulteert voornoemd inkomen in een netto besteedbaar inkomen aan de zijde van de man van € 2.261,-, waarbij in fiscaal opzicht rekening is gehouden met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, een hypotheekrente van € 4.998,- op jaarbasis, een eigenwoningforfait van € 1.410,- en de verschuldigde inkomstenbelasting. b. Lasten van de man 1. Normbedrag Wwb exclusief de woonkostencomponent voor een zelfstandig wonende alleenstaande, inclusief de maximale toeslag, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud; 2. Woonlasten voor de periode 16 februari 2005 tot 1 februari 2006 - € 443,44 per maand hypotheekrente, - € 77,- per maand premie levensverzekering, - € 95,- per maand eigenaarslasten, voor de periode 1 februari 2006 tot 1 april 2006 - € 243,75 per maand hypotheekrente, - € 47,50 per maand eigenaarslasten, voor de periode vanaf 1 april 2006 - € 416,46 per maand aan hypotheekrente, (bestaande uit de helft van een hypotheekrente van € 735,- per maand en een zogenaamde ING Bank Watervillahypotheek van € 97,92 per maand), - € 29,90 per maand aan premie levensverzekering, zijnde de helft van de premie levensverzekering van € 59,80, - € 47,50 per maand eigenaarslasten, 3. Ziektekosten voor de periode 16 februari 2005 tot 1 februari 2006: - € 181,75 per maand werkgevers- en werknemersdeel ziekenfondspremie, - € 12,40 per maand aan aanvullende ziektekostenverzekering, De man stelt dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de aanvullende ziektekostenverzekering. Volgens de man dient deze premie door hem betaald te worden. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Uit de overgelegde loonstroken is het hof gebleken dat de man wel degelijk een deel van zijn aanvullende ziektekosten zelf betaalt, doordat dit bedrag door zijn werkgever wordt ingehouden op zijn bruto loon. Voor de periode vanaf 1 februari 2006: - € 85,80 per maand premie basispakket, - € 37,60 per maand premie aanvullende verzekering. - € 192,60 per maand door de werkgever ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage Zvw; 4. € 100,- per maand kosten omgangsregeling. 4.17. Het hof houdt geen rekening met de navolgende posten. - € 200,- per maand terzake een schuld aan de Postbank, Ter zitting is het hof gebleken dat de schuld aan de Postbank een doorlopend krediet van fl. 15.000,- betreft dat partijen tezamen in 1995 hebben afgesloten. Uit de brief van de Postbank van 2 januari 1995 blijkt dat dit krediet bij een aflossing van fl. 300,- per maand na 68 maanden afgelost had kunnen zijn, derhalve op 2 augustus 2000. Ter zitting heeft de man gesteld dat hij genoodzaakt was om dit krediet te verhogen omdat hij een nieuwe auto diende aan te schaffen voor de omgangsregeling. Ter zitting heeft de vrouw hier onweersproken tegenin gebracht dat de man destijds bij de verdeling ter compensatie van de toedeling van de oude auto van partijen een hoger bedrag, te weten fl.80.000,- heeft gekregen. Van deze overbedeling had de man, volgens de vrouw, geld moeten reserveren voor de aanschaf van een nieuwe auto. Naar het oordeel van het hof dient met de aanschaf van de auto, gelet op het verweer van de vrouw geen rekening gehouden te worden bij de bepaling van zijn draagkracht. Nu het krediet al op 2 augustus 2000 afgelost had kunnen zijn en er geen noodzaak bestond tot verhoging van dit krediet, zal het hof geen rekening houden met de aflossing aan de Postbank. - € 769,- eigen bijdrage advocaatkosten. De man stelt dat rekening dient te worden gehouden met dit bedrag aan advocaatkosten, nu hij deze kosten diende te maken omdat hij door de vrouw genoodzaakt is zich in rechte te verweren. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Met betrekking tot de advocaatkosten zoekt het hof aansluiting bij de TREMA-normen. Blijkens het TREMA-rapport mag slechts in bijzondere omstandigheden rekening worden gehouden met advocaatkosten. De werkgroep alimentatienormen beveelt aan om uitsluitend met advocaatkosten in verband met een echtscheidingsprocedure rekening te houden. Nu de man niet voldoende heeft gesteld dat sprake is van een bijzondere omstandigheid, ziet het hof, nu het niet gaat om een echtscheidingsprocedure, geen aanleiding om af te wijken van de Tremanormen. Het hof zal thans dan ook geen rekening houden met de door de man opgevoerde advocaatkosten. Financiële situatie vrouw 4.18. Met betrekking tot de financiële situatie van de vrouw gaat het hof uit van de navolgende gegevens. Voorzover die gegevens door de man in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel. Gelet op de ziektekosten en de kosten kinderopvang, zal het hof bij de berekening van de draagkracht van de vrouw uitgaan van drie periodes, te weten: 1. de periode van 16 februari 2005 tot 1 augustus 2005; 2. de periode van 1 augustus 2005 tot 1 februari 2006; 3. de periode vanaf 1 februari 2006. a. Inkomen van de vrouw 4.19. Het hof gaat uit van een fiscaal jaarloon aan de zijde van de vrouw van € 29.772,-, zoals vermeld op de jaaropgave van 2004. Dit bedrag dient nog vermeerderd te worden met het spaarloon, zijnde € 612,96 bruto per maand. Voornoemd inkomen resulteert voor de periodes van 16 februari 2005 tot 1 augustus 2005 en van 1 augustus 2005 tot 1 februari 2006, in een netto besteedbaar inkomen aan de zijde van de vrouw van € 2.359,- per maand. Hierbij is in fiscaal opzicht rekening gehouden met alle relevante heffingskortingen (algemene, arbeids-, (aanvullende) alleenstaande ouder en (aanvullende) kinderkorting, de combinatiekorting en de aanvullende combinatiekorting) een hypotheekrente van € 6.384,- op jaarbasis, een eigenwoningforfait van € 750,- en de verschuldigde inkomstenbelasting. Voor de periode vanaf 1 februari 2006 resulteert voornoemd inkomen in een netto besteedbaar inkomen aan de zijde van de vrouw van € 2.401,- per maand. Hierbij is in fiscaal opzicht rekening gehouden met alle als dan geldende heffingskortingen (algemene, arbeids-, (aanvullende) alleenstaande ouder en (aanvullende) kinderkorting, de combinatiekorting en de aanvullende combinatiekorting) een hypotheekrente van € 6.384,- op jaarbasis, een eigenwoningforfait van € 750,- en de verschuldigde inkomstenbelasting. b. Lasten 1. Normbedrag Wwb exclusief de woonkostencomponent voor een zelfstandig wonende alleenstaande, inclusief de maximale toeslag, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud; 2. Woonlasten: - € 532,- per maand hypotheekrente; - € 63,- per maand premie levensverzekering; - € 95,- per maand eigenaarslasten; 3. Ziektekosten: voor de periode van 16 februari 2005 tot 1 februari 2006: - € 194,75 per maand werkgevers- en werknemersdeel ziekenfondspremie, - € 18,80 per maand aanvullende premie ziektekostenverzekering. Het hof zal bij de vrouw, evenals bij de man, rekening houden met de helft van de door de werkgever op het bruto-loon ingehouden aanvullende premie ziektekostenverzekering van € 37,60, voor de periode vanaf 1 februari 2006: - € 85,80 per maand premie basispakket. - € 37,60 per maand premie aanvullende verzekering, - € 162,60 per maand door de werkgever ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage Zvw, bij gebreke aan financiële gegevens betreffende de ziektekostenverzekering van de vrouw na januari 2006, zal het hof met hetzelfde bedrag aan ziektekosten als bij de man rekening houden. 4. € 13,- per maand premie begrafenisverzekering; 5. Kosten kinderopvang voor de periode van 16 februari 2005 tot 1 augustus 2005: - € 474,79 netto per maand, voor de periode vanaf 1 augustus 2005: - € 282,09 netto per maand, een en ander conform de ter zitting door de advocaat van de vrouw overgelegde berekening. Door de advocaat van de vrouw is ter zitting een berekening van de kosten kinderopvang overgelegd en zij heeft verzocht daar rekening mee te houden. De man heeft ter zitting ingestemd met deze berekening, zodat het hof rekening houdt met voornoemde bedragen. Vaststelling kinderalimentatie 4.20. Op grond van vorenstaande gegevens en na vergelijking van de draagkracht van partijen komt het hof tot de conclusie: 1. voor de periode van 16 februari 2005 tot 1 augustus 2005 dat de man met een deel van afgerond 72 % en de vrouw met een deel van afgerond 28 % dient bij te dragen in de behoefte van de kinderen. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met het fiscale voordeel dat de man heeft wegens het betalen van een onderhoudsbijdrage, nu de man, rekening houdende met de omgangskosten, in staat is dit voordeel te effectueren. Het hof stelt de door de man in deze periode te betalen bijdrage vast op € 255,- per kind per maand, zoals door de vrouw verzocht. 2. voor de periode van 1 augustus 2005 tot 1 februari 2006 dat de man met een deel van afgerond 62 % en de vrouw met een deel van afgerond 38 % dient bij te dragen in de behoefte van de kinderen. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met bovengenoemd fiscale voordeel. Het hof stelt de door de man in deze periode te betalen bijdrage vast op € 244,50 per kind per maand. 3. voor de periode van 1 februari 2006 tot 1 april 2006 dat de man met een deel van afgerond 67 % en de vrouw met een deel van afgerond 32 % dient bij te dragen in de behoefte van de kinderen. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met bovengenoemd fiscaal voordeel. Het hof zal het huidige aandeel van de man in de kosten van de minderjarige kinderen derhalve vast stellen op een bedrag van € 255,- per kind per maand, zoals door de vrouw verzocht. 4. vanaf 1 april 2006 dat de man met een deel van afgerond 64 % en de vrouw met een deel van afgerond 36 % dient bij te dragen in de behoefte van de kinderen. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met bovengenoemd fiscaal voordeel. Het hof zal het huidige aandeel van de man in de kosten van de minderjarige kinderen derhalve vast stellen op een bedrag van € 255,- per kind per maand. Eventuele anders berekende verhoudingen in het verleden, waarop de man kennelijk doelt met zijn vijfde grief, doen naar het oordeel van het hof niet terzake nu de verhoudingen op basis van de gegevens geldend voor de relevante perioden moeten worden berekend. 4.21. Rekening houdend met de hiervoor aan de zijde van de man in aanmerking genomen financiële gegevens is het hof van oordeel dat de man in staat is voormelde bijdragen te voldoen. Proceskosten. 4.22. De proceskosten van beide instanties worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn. 4.23. Hoewel voor diverse perioden de beslissing waarvan beroep in stand blijft, zal het hof omwille van de duidelijkheid toch tot algehele vernietiging overgaan en de bijdragen per periode opnieuw vaststellen. 5. De beslissing Het hof: vernietigt de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 30 september 2005; en opnieuw rechtdoende: wijzigt de beschikking van 3 december 1999 van de rechtbank 's-Hertogenbosch, voor wat betreft de daarbij vastgestelde kinderbijdragen voor [A.] en [B.]; bepaalt dat de man aan de vrouw voor de periode van 16 februari 2005 tot 1 augustus 2005 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [A.] en [B.] zal voldoen een bedrag van € 255,- per kind per maand; bepaalt dat de man aan de vrouw voor de periode van 1 augustus 2005 tot 1 februari 2006 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [A.] en [B.] zal voldoen een bedrag van € 244,50 per kind per maand; bepaalt dat de man aan de vrouw voor de periode van 1 februari 2006 tot 1 april 2006 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [A.] en [B.] zal voldoen een bedrag van € 255,- per kind per maand; bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 april 2006 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [A.] en [B.] zal voldoen een bedrag van € 255,- per kind per maand, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling; wijst af het meer of anders verzochte; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; compenseert de op beide instanties gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mrs. Philips, Smeenk-van der Weijden en Vlaardingerbroek en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 24 mei 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.