
Jurisprudentie
BA0937
Datum uitspraak2007-03-16
Datum gepubliceerd2007-03-19
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers245538 \ CV EXPL 02-601
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton
Datum gepubliceerd2007-03-19
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers245538 \ CV EXPL 02-601
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton
Indicatie
Art. 7:658 BW. Omkeringsregel. Advocatenmaatschap aansprakelijk voor schade als gevolg van RSI secretaresse.
Uitspraak
Vonnis
RECHTBANK ARNHEM
Sector kanton
Locatie Nijmegen
zaakgegevens 245538 CV EXPL 02-601 jt
uitspraak van 16 maart 2007
Vonnis
in de zaak van
[eiseres]
wonende te Beuningen
eisende partij
gemachtigde F.H.E.G. van den Heuvel
tegen
de maatschap [gedaagde] c.s.
gevestigd te Nijmegen
gedaagde partij
gemachtigde mr. W.J. Hengeveld
Partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd.
De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit
- het tussenvonnis van 22 april 2005
- het proces-verbaal van getuigenverhoor in enquête aan de zijde van [gedaagde] van
24 oktober 2005
- de brief van 8 mei 2006 van de gemachtigde van [eiseres] met producties
- het proces-verbaal van contra-enquête aan de kant van [eiseres] van 11 mei 2006
- de conclusie na enquête van [gedaagde]
- de conclusie na enquête van [eiseres].
De verdere beoordeling
1. De kantonrechter blijft bij hetgeen in de tussenvonnis van 25 juni 2004 en 22 april 2005 is overwogen.
2. In het eerst genoemde tussenvonnis is als vaststaand aangenomen dat (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] de verplichtingen voortvloeiend uit arbeidsomstandighedenregelgeving, gericht op de voorkoming van gezondheidsklachten zoals RSI als gevolg van beeldschermwerk, niet heeft nageleefd. Hiermee staat voorshands vast dat [eiseres] schade in de uitoefening van haar werkzaamheden heeft opgelopen, oftewel dat de RSI-klachten zijn veroorzaakt door haar secretaresse-werkzaamheden.
[gedaagde] is in de gelegenheid gesteld dit vermoeden te ontzenuwen door het leveren van tegenbewijs. [gedaagde] heeft de getuigen [X, Y en Z] voorgebracht. [eiseres] heeft zichzelf als getuige laten horen.
(rechtsoverwegingen 3 t/m 6 bevatten samenvattingen van de getuigenverklaringen)
7. De verklaringen van de getuigen aan de zijde van [gedaagde] komen er alle op neer dat de werk(plek)omstandigheden van [eiseres] altijd goed zijn geweest. De kantonrechter ziet hierin echter geen aanleiding om terug te komen op de vaststelling in het tussenvonnis van 25 juni 2004 dat (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] de verplichtingen voortvloeiende uit de arbeidsomstandighedenregelgeving, vanaf 31 december 1992 neergelegd in het Besluit beeldschermwerk en vanaf 1 juli 1997 neergelegd in de Arbeidsomstandighedenregeling en het Arbeidsomstandighedenbesluit, gericht op de voorkoming van gezondheidsklachten zoals RSI als gevolg van beeldschermwerk, niet heeft nageleefd. Uit deze getuigenverklaringen volgt namelijk niet dat bedoelde regelgeving als uitgangspunt is genomen bij de inrichting van de werkplekken van [eiseres] en de organisatie van haar werkzaamheden alsmede dat een en ander heeft voldaan aan die regelgeving. In dit verband wijst de kantonrechter op de volgende passages in de betreffende getuigenverklaringen. De getuige [X] heeft verklaard dat hij niet denkt dat hij het Besluit beeldschermwerk ernaast heeft gelegd bij de inrichting van de werkplekken en dat hij “wel zo ongeveer” weet wat de inhoud van dat besluit was. De getuige [Y] heeft verklaard dat zij geregeld heeft gezegd dat de secretaresses hun werkzaamheden moesten afwisselen, maar dat zij daar geen toezicht op hield. De getuige [Z] heeft verklaard dat hij zich niet specifiek heeft beziggehouden met de inrichting van de werkplekken. Deze getuigenverklaringen maken het dan ook niet onaanvaardbaar dat de kantonrechter gebonden is aan voormelde eindbeslissing in het tussenvonnis van 25 juni 2004, anders dan [gedaagde] meent. Er is namelijk geen sprake van een situatie dat de kantonrechter wordt gedwongen tot het doen van een einduitspraak waarvan hij weet dat deze ondeugdelijk is (HR 15 september 2006, RvdW 2006, 855).
8. [gedaagde] is voorts niet geslaagd in het leveren van bewijs tegen het vermoeden dat de RSI-klachten van [eiseres] zijn veroorzaakt door haar secretaresse-werkzaamheden. Uit de getuigenverklaringen is immers niet van een mogelijk andere, niet voor rekening van [gedaagde] komende oorzaak voor de RSI-klachten van [eiseres] gebleken.
9. De slotsom is dan ook dat de gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] op grond van art. 7:658 BW jegens [eiseres] aansprakelijk is zal worden gegeven. De kantonrechter acht het niet mogelijk om thans de door [eiseres] geleden schade te begroten. Hij zal daarom een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat uitspreken. Voorts zal het gevorderde voorschot van € 40.000,- worden toegewezen. Het is immers voorshands aannemelijk dat de toe te kennen schadevergoeding minstens dit bedrag zal belopen. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden afgewezen, nu deze post in de schadestaatprocedure aan de orde komt.
10. [gedaagde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld.
De beslissing
De kantonrechter
verklaart voor recht dat [gedaagde] op grond van art. 7:658 BW jegens [eiseres] aansprakelijk is,
veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding van de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] € 40.000,- als voorschot op de schadevergoeding te betalen,
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [eiseres] bepaald op € 77,56 aan kosten dagvaarding, € 152,- aan vastrecht en
€ 2.665,- aan salaris van haar gemachtigde,
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.W.M. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2007

