Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA0957

Datum uitspraak2007-03-07
Datum gepubliceerd2007-03-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/6435 REA
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bezwaar tegen het opstellen van een persoonlijk arbeidsintegratieplan dient niet-ontvankelijk verklaard te worden. Brief zonder rechtsgevolg. Bezwaar niet gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.


Uitspraak

04/6435 REA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 18 oktober 2004, 04/78 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (hierna: College) Datum uitspraak: 7 maart 2007 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Namens appellant heeft mr. drs. H.M.A.W. Erven, advocaat te Almere, bij brief van 18 januari 2007 nadere stukken ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Erven. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Koot, werkzaam bij de gemeente Almere. II. OVERWEGINGEN Het College heeft bij brief van 25 februari 2003 aan appellant het volgende meegedeeld: "Uit de medisch-arbeidskundige beoordeling blijkt, dat u in aanmerking komt voor de toepassing van de Wrea (artikel 2 lid 3 Wrea). Zo spoedig mogelijk zult u worden uitgenodigd voor één of meer gesprekken ten behoeve van het opstellen van een persoonlijk arbeidsintegratieplan door reïntegratie bureau TMP. In dit plan wordt met u een traject overeengekomen hoe u als arbeidsgehandicapte naar arbeid kan worden bemiddeld. Deze arbeidsintegratie- overeenkomst is zo wel voor de dienst Sociale Zaken, de instantie die het traject uitvoert, als voor u bindend." Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het gestelde in deze brief. Hij betwist dat hij in aanmerking komt voor een integratieplan, omdat hij zich daar wegens medische en lichamelijke klachten niet toe in staat acht. Bij besluit van 16 december 2003 heeft het College het door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 december 2003 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. De Raad ziet zich, ambtshalve, gesteld voor de vraag of het College het bezwaar van appellant terecht ontvankelijk heeft geacht. Op grond van de volgende overwegingen beantwoordt de Raad die vraag ontkennend. De brief van 25 februari 2003 bevat het besluit dat appellant wordt aangemerkt als arbeidsgehandicapte in de zin van artikel 2, derde lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten. Zoals ter zitting van de Raad ook nog is bevestigd door appellant, is zijn bezwaar niet gericht tegen dit besluit. Zijn bezwaar ziet uitsluitend op de eveneens in de brief van 25 februari 2003 opgenomen passage over het opstellen van een persoonlijk arbeidsintegratieplan. Het gestelde in deze passage bevat informatie over de procedure rond de opstelling van een persoonlijk arbeidsintegratieplan, maar is niet gericht op rechtsgevolg. Daarom is het bezwaar niet gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat de rechtbank dit niet heeft onderkend dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Het beroep dient gegrond te worden verklaard en het besluit van 16 december 2003 dient te worden vernietigd. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep gegrond; Vernietigt het besluit van 16 december 2003; Verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk; Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 322,--, te betalen door de gemeente Almere; Bepaalt dat de gemeente Almere aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 133,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2007. (get.) R.M. van Male. (get.) S.R. Bagga. BKH 190207