Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA0969

Datum uitspraak2007-03-01
Datum gepubliceerd2007-03-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/4257 WUV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bezwaar van betrokkene tegen de berekeningsbeschikking is terecht niet-ontvankelijk verklaard.


Uitspraak

06/4257 WUV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante] (hierna: appellante), en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster) Datum uitspraak: 1 maart 2007 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 23 juni 2006, kenmerk JZ/K80/2006, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2007. Daar is appellante, zoals bericht, niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. OVERWEGINGEN Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de berekeningsbeschikking van 31 maart 2006, waarbij appellantes uitkering alsmede de toegekende tegemoetkoming en vergoeding voorlopig zijn berekend vanaf 1 maart 2006, niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat in de berekeningsbeslissing geen nieuw of nader besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen over de hoogte van het vastgestelde vermogen. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door appellante in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt. De Raad overweegt het volgende. Blijkens de stukken heeft verweerster bij berekeningsbeschikking van 31 augustus 1992 het voor de Wet in aanmerking te nemen vermogen en de inkomsten daaruit vastgesteld. Vervolgens is, naar aanleiding van de bij besluit van 18 februari 1993 gegeven toelichting op de berekeningswijze van het vermogen, het tegen de berekeningsbeschikking van 31 augustus 1992 ingediende bezwaar door de toenmalige gemachtigde van appellante ingetrokken, zodat dit besluit en daarmee eerdergenoemde vermogensvaststelling, tussen partijen rechtens verbindend is geworden. Ondanks pogingen daartoe van appellante heeft verweerster nadien geen aanleiding gezien het eerder vastgestelde vermogen te herzien. De Raad is van oordeel dat, zoals ook door verweerster in het bestreden besluit is verwoord, in de berekeningsbeschikking 31 maart 2006 met betrekking tot de berekening van het voor de Wet in aanmerking te nemen vermogen geen nieuw of nader besluit is genomen. Op dit punt ligt derhalve geen (zelfstandig) besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb voor, zodat ingevolge het bepaalde in artikel 7:1 van de Awb het rechtsmiddel van bezwaar niet openstond. Voorzover er bij appellante onduidelijkheden bestaan over de opbouw van het vastgestelde vermogen, merkt de Raad nog op dat in de brief van 18 februari 1993 door verweerster uiteen is gezet met welke bestandsdelen bij het vaststellen van het vermogen rekening is gehouden. Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2007. (get.) H.R. Geerling-Brouwer. (get.) J.P. Schieveen. HD 31.01