
Jurisprudentie
BA0996
Datum uitspraak2007-03-08
Datum gepubliceerd2007-03-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers144494/JE RK 06-16267
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-03-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers144494/JE RK 06-16267
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bezwaar en beroep tegen indicatiebesluiten. Mandaat van de beslissing op bezwaar aan de bezwaarschriftencommissie is niet toegestaan.
Uitspraak
RECHTBANK ARNHEM
Sector Familie en Jeugd
KINDERRECHTER
Procedurenummer: 144494/JE RK 06-16267
Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
De heer x en mevrouw y, eisers,
wonende te A, vertegenwoordigd door B,
en
Stichting Bureaus Jeugdzorg C, verweerder.
Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 31 mei 2006.
Procesverloop
Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft de bezwaarcommissie het bezwaar van eisers tegen de indicatiebesluiten van 6 februari 2006 betreffende U en V (hierna te noemen betrokkenen) niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.
Het beroep is behandeld ter zitting van de kinderrechter van 29 november 2006. Eisers zijn aldaar verschenen, bijgestaan door de heer B. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer C en mevrouw mr. I.
Overwegingen
Ingevolge artikel 1:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder het maken van bezwaar verstaan: het gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid, voorziening tegen een besluit te vragen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.
Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.
Ingevolge het tweede lid van dat artikel herroept het bestuursorgaan, voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.
Ingevolge artikel 10:3, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan mandaat verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet.
De kinderrechter dient allereerst te bezien of het bestreden besluit van 31 mei 2006 bevoegdelijk is genomen door de bezwaarschriftencommissie namens verweerder. De vraag die thans voorligt is of de aard van de heroverwegingsbevoegdheid zoals deze blijkt uit artikel 7:11 van de Awb, toelaat dat een bestuursorgaan de bevoegdheid om te beslissen op bezwaren, ingebracht tegen besluiten die door of bevoegdelijk namens dat orgaan zijn genomen, mandateert aan een persoon of college buiten de invloedsfeer van het bestuursorgaan, óf dat de aard van de heroverwegingsbevoegdheid zich daartegen verzet.
De heroverweging, bedoeld in artikel 7:11 van de Awb, vergt dat de beslissing op bezwaar binnen de directe invloedssfeer van het bestuursorgaan behoort te worden genomen. De functies van de bezwaarprocedure brengen met zich dat mandaat van de bevoegdheid om op bezwaar te beslissen niet mag worden verleend aan een niet ondergeschikte. Het vorenstaande betekent dat mandaat van de beslissing op bezwaar aan de bezwaarschriftencommissie niet is toegestaan. Gelet op het mandateringsbesluit van verweerder van 1 januari 2005 heeft verweerder dit miskend.
Het beroep dient dan ook gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit van 31 mei 2006 wegens strijd met artikel 7:11 van de Awb te worden vernietigd. Verweerder dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.
Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draag verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers tegen de indicatiebesluiten van 6 februari 2006;
Aldus gegeven door mr. J. Barrau, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.M.B. Moll van Charante, griffier, en in het openbaar uitgesproken op .
De griffier, De rechter,
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.
Verzonden op:

