Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA1274

Datum uitspraak2007-03-21
Datum gepubliceerd2007-03-22
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/6728 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Schatting WAO.


Uitspraak

04/6728 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 29 oktober 2004, 04/561 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 21 maart 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A. Atema, werkzaam bij Rechtshulp Noord te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2007. Namens appellant is mr. Atema verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.B. Froentjes. II. OVERWEGINGEN Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende. In geding is de vraag of het besluit van het Uwv van 1 april 2004 (hierna: bestreden besluit) stand kan houden. Bij dat besluit heeft het Uwv zijn besluit de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke voordien werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 6 januari 2004 te verlagen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Appellant heeft in hoger beroep een nader commentaar van de psychiater-psychotherapeut P. Middelweerd op de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) ingediend en zijn standpunt dat te weinig rekening is gehouden met zijn beperkte psychische belastbaarheid gehandhaafd. Tevens heeft appellant de Raad verzocht een onafhankelijke psychiater te raadplegen. Op 29 januari 2007 heeft appellant een rapport ingezonden van de registerarbeidsdeskundige mr. drs. P. Rijnsburger. Deze is op basis van dossierstudie tot de, per functie toegelichte, conclusie gekomen dat het Uwv de geschiktheid voor de geduide functies zonder duurbeperking niet afdoende heeft gemotiveerd. In een rapport van 31 januari 2007 heeft de bezwaararbeidsdeskundige per functie gereageerd op het rapport van Rijnsburger. De bezwaararbeidsdeskundige achtte alle geduide functies passend. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad voegt daar nog aan toe dat het in hoger beroep overgelegde commentaar van Middelweerd gelet op de gehanteerde datering is gericht op de FML van 16 oktober 2003. Deze is echter door de bezwaarverzekeringsarts op 11 maart 2004 aangepast, in die zin dat in de FML van 11 maart 2004 meer beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van persoonlijk functioneren in arbeid (aangewezen op een voorspelbare werksituatie, kan niet inspelen op sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden en/of taakinhoud; aangewezen op een werksituatie zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen) en sociaal functioneren (samenwerken). De bezwaarverzekeringsarts heeft daarbij uitgebreid en op zorgvuldige wijze gemotiveerd waarom aan de rapportages uit het (verre) verleden geen doorslaggevende betekenis meer toekomt. Op basis van het onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts is de actuele belastbaarheid van appellant in kaart gebracht. Daarbij is expliciet rekening gehouden met de beperkte psychische belastbaarheid. Hetgeen appellant heeft aangevoerd geeft de Raad dan ook geen grond voor twijfel aan de juistheid van de FML, met inbegrip van punt 6 Werktijden. De Raad acht zich voldoende voorgelicht en ziet geen aanleiding een onafhankelijke deskundige te raadplegen. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 25 maart 2004 de voor appellant geselecteerde functies opnieuw heeft beoordeeld aan de hand van de aangepaste FML. Tevens zijn de functies nagelopen op de actualiteitseis, niet-matchende punten en signaleringen en andere relevante aspecten. Alle functies werden passend geacht. Er was onverminderd sprake van indeling in de klasse 35 tot 45%. In het rapport van 31 januari 2007 is de bezwaararbeidsdeskundige ingegaan op de kanttekeningen van Rijnsburger bij de geduide functies en heeft hij de functies nogmaals nagelopen op signaleringen. De Raad is van oordeel dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en toegelicht. Hetgeen appellant heeft aangevoerd kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en H.G. Rottier en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007. (get.) Ch. van Voorst. (get.) J.J. Janssen.