Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA1373

Datum uitspraak2007-03-20
Datum gepubliceerd2007-03-23
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/452 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Geen toekenning bijzondere bijstand in de kosten van een tandheelkundige behandeling.


Uitspraak

06/452 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 december 2005, 04/5519 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College) Datum uitspraak: 20 maart 2007. I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft M. Benbrahim hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2007. Voor appellante is verschenen mr. B.B.A. Willering, advocaat te Amsterdam. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. van Golberdinge, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. II. OVERWEGINGEN De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Op 7 april 2004 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in de kosten van een tandheelkundige behandeling, te weten een frameprothese voor de boven- en onderkaak. Bij besluit van 1 juli 2004 heeft het College de aanvraag van appellante afgewezen. Bij besluit van 23 september 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 1 juli 2004 ongegrond verklaard. Het College heeft daartoe overwogen dat appellante een beroep kan doen op een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 september 2004 ongegrond verklaard. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. De Ziekenfondswet gold ten tijde hier van belang voor de in geding zijnde kosten, gelet op de aanspraken ingevolge de Regeling tandheelkundige hulp ziekenfondsverzekering voor verzekerden als appellante, als een voorliggende, passende en toereikende voorziening. De Raad wijst er in dat verband nog op dat met deze Regeling beoogd is aan een ieder een basispakket voor tandheelkundige hulp te bieden (met de nadruk op preventieve zorg) en dat naast de in artikel 6 van de Regeling bedoelde voorzieningen voor volwassen verzekerden blijkens het bepaalde in artikel 8 van de Regeling ook andere tandheelkundige hulp beschikbaar is. Het enkele feit dat daarvoor een bijzondere indicatie geldt doet daaraan niet af. Dit brengt mee dat artikel 15, eerste lid, van de WWB in beginsel aan toekenning van bijzondere bijstand in de gevraagde kosten in de weg staat. Het eerste lid van artikel 16 van de WWB biedt de mogelijkheid om in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de WWB, in bedoelde kosten bijstand te verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Blijkens de Memorie van Toelichting dient in een dergelijk geval vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. In hetgeen appellante naar voren heeft gebracht en de gedingstukken ziet de Raad geen aanknopingspunt om te oordelen dat in het geval van appellante sprake is geweest van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. Hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Gelet op het vorenstaande is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het College niet de bevoegdheid toekwam om appellante bijzondere bijstand toe te kennen voor de hier besproken kosten zodat de betreffende aanvraag terecht is afgewezen. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L.M. Reijnierse als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2007. (get.) J.J.A. Kooijman. (get.) L.M. Reijnierse. TG15022007