Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA1739

Datum uitspraak2007-05-29
Datum gepubliceerd2007-05-30
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers02699/06
Statusgepubliceerd


Indicatie

Brandstichting Eindhoven 2004. O.g.v. art. 36f.6 Sr jo. art. 24c Sr kan bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat worden bepaald dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast. Deze vervangende hechtenis mag i.c., waarin sprake is van samenloop a.b.i. art. 57 Sr, ingevolge art. 60a Sr jo. art. 24c.3 Sr ten hoogste één jaar bedragen.


Conclusie anoniem

Griffienr. 02699/06 Mr. Wortel Zitting:20 maart 2007 (bij vervroeging) Conclusie inzake: [verdachte] 1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarbij verzoeker wegens (1) "medeplegen van moord, meermalen gepleegd" en (2) "medeplegen van poging tot moord, meermalen gepleegd" is veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vorderingen van benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen, en verzoeker op de voet van art. 36f Sr, ten behoeve van de benadeelde partijen en tot dezelfde bedragen, betalingsverplichtingen jegens de Staat opgelegd, met bepaling van vervangende hechtenis en met bepaling dat elk van de opgelegde betalingsverplichtingen zal komen te vervallen indien en voor zover verzoeker aan de andere, jegens of ten behoeve van dezelfde benadeelde partij opgelegde, betalingsverplichting zal hebben voldaan dan wel een mededader de desbetreffende benadeelde partij zal hebben betaald. 2. Namens verzoeker heeft mr J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend. In samenhangende zaken met griffienummers 02698/06 en 02707/06 concludeer ik heden eveneens. 3. Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van beide feiten onvoldoende met redenen is omkleed voor zover die bewezenverklaring inhoudt dat verzoeker als medepleger bij de uitvoering van die feiten betrokken is geweest, aangezien uit de gebezigde bewijsmiddelen moet worden afgeleid dat verzoeker die feiten heeft uitgelokt. Het tweede middel behelst de klacht de bewezenverklaring van beide feiten onvoldoende met redenen is omkleed voor zover die bewezenverklaring inhoudt dat verzoeker "opzettelijk en met voorbedachten rade" heeft gehandeld, aangezien uit de gebezigde bewijsmiddelen slechts blijkt dat verzoeker heeft gehandeld met het opzet brand te (doen) stichten, en uit die bewijsmiddelen niet blijkt dat hij heeft gehandeld met het opzet anderen van het leven te beroven. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. 4. Ten laste van verzoeker is bewezenverklaard dat hij "1. in de nacht van 7 augustus 2004 op 8 augustus 2004 te Eindhoven tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade de 8-jarige [slachtoffer 1] en de 14-jarige [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders toen aldaar met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, - in de woning [a-straat 1] een gieter gevuld met een hoeveelheid benzine, en - die gieter, gevuld met een hoeveelheid benzine en een aansteker en een krant uit voornoemde woning meegenomen, en - zich vervolgens voorzien van die gieter, gevuld met een hoeveelheid benzine en die aansteker en die krant begeven naar de woning gelegen aan de [a-straat 2], en - vervolgens met behulp van die gieter een hoeveelheid benzine door de brievenbus van die woning gelegen aan de [a-straat 2] gegoten, en - vervolgens voornoemde, door de brievenbus van laatstgenoemde woning gegoten benzine, in aanraking gebracht met open vuur, door met een aansteker voormelde krant aan te steken en vervolgens die aangestoken krant door de brievenbus van die woning gelegen aan de [a-straat 2] te duwen, waardoor die, door de brievenbus van die woning gelegen aan de [a-straat 2] gegoten benzine vlam vatte, ten gevolge waarvan brand is ontstaan in die woning, ten gevolge waarvan voornoemde, in die woning [a-straat 2] aanwezige, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn overleden; 2. in de nacht van 7 augustus 2004 op 8 augustus 2004 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met anderen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, - in de woning [a-straat 1] een gieter heeft gevuld met een hoeveelheid benzine, en - die gieter, gevuld met een hoeveelheid benzine en een aansteker en een krant uit voornoemde woning heeft meegenomen, en - zich vervolgens voorzien van die gieter, gevuld met een hoeveelheid benzine en die aansteker en die krant heeft begeven naar de woning gelegen aan de [a-straat 2], en - vervolgens met behulp van die gieter een hoeveelheid benzine door de brievenbus van die woning gelegen aan de [a-straat 2] heeft gegoten, en - vervolgens voornoemde, door de brievenbus van laatstgenoemde woning gegoten benzine, in aanraking heeft gebracht met open vuur, door met een aansteker voormelde krant aan te steken en vervolgens die aangestoken krant door de brievenbus van die woning gelegen aan de [a-straat 2] te duwen, waardoor die, door de brievenbus van die woning gelegen aan de [a-straat 2] gegoten benzine vlam vatte, ten gevolge waarvan brand is ontstaan in die woning, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid." 5. Met betrekking tot de bewijsvragen is in de bestreden uitspraak overwogen, voor zover hier van belang: "I Uit de gebezigde bewijsmiddelen komt het volgende naar voren: In de nacht van 7 op 8 augustus 2004 zijn de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] naar de woning van de verdachte [medeverdachte 2] aan de [a-straat 1] te Eindhoven gegaan, alwaar aanwezig waren genoemde [medeverdachte 2] en de verdachte [verdachte]. In aanwezigheid van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 1] een klusje voor hem, [verdachte], te doen, hierin bestaande dat [medeverdachte 1] voor 50,- euro het huis aan de overkant van de straat, waar een Turks gezin - bestaande uit twee volwassenen en twee kinderen - woont, in brand moet steken, met de bedoeling die mensen iets aan te doen. [Verdachte] geeft daarbij aan dat die mensen thuis zijn en liggen te slapen. [Verdachte] biedt aan [medeverdachte 3] aan om deze naar Bladel te brengen als [medeverdachte 3] de klus samen met [medeverdachte 1] doet, waarmee [medeverdachte 3] instemt. [Verdachte] verlaat de woning om daarin na enige tijd terug te keren met een jerrycan benzine. Opnieuw komt aan de orde dat de Turkse mensen liggen te slapen. [Medeverdachte 1] giet in de gang van de woning van [medeverdachte 2] uit voornoemde jerrycan de benzine (meerdere liters) over in een (planten)gieter, welke kort te voren door [medeverdachte 2] op verzoek van [verdachte] uit de schuur is opgehaald. Het overgieten van de benzine vindt plaats in aanwezigheid van [verdachte] en [medeverdachte 3], onder waarneming door [medeverdachte 2]. [Verdachte] vraagt aan [medeverdachte 3] om de jerrycan mee te nemen naar buiten en [medeverdachte 1] vraagt aan [medeverdachte 3] om mee te gaan om op de uitkijk te gaan staan. [Medeverdachte 3] begint zich druk te maken over zijn herkenbaarheid, waarop [medeverdachte 2] hem een jas geeft als bedekking, onder mededeling dat deze kan worden weggegooid na de brandstichting. [Medeverdachte 2] geeft aan [medeverdachte 1] een krant, waarmee hij de brand kan aansteken. Vervolgens verlaten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] de woning van [medeverdachte 2] en gooit [medeverdachte 1] met behulp van eerdergenoemde gieter de benzine door de brievenbus van de aan de overzijde van de straat gelegen woning [a-straat 2], waarin de familie [benadeelde partij 1 en 2 en slachtoffer 1 en 2] op dat moment inderdaad ligt te slapen, en steekt de krant die hij van [medeverdachte 2] heeft gekregen aan met de aansteker die hij op dat moment krijgt aangereikt van [medeverdachte 3] - die zich op dat moment in zijn directe nabijheid bevindt - en duwt deze door de eerdergenoemde brievenbus. Door de brand, die ten gevolge daarvan op 8 augustus 2004 tussen 00.00 en 01.45 is ontstaan, zijn [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] om het leven gekomen. De ouders zijn ter nauwer nood aan de dood ontsnapt door uit een raam van de bovenverdieping te springen. II Gelet op de aard van de hiervoor weergegeven gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, een en ander bezien in onderlinge samenhang en in (tijds)verband met de overige bewijsmiddelen, merkt het hof deze naar hun uiterlijke verschijningsvorm aan als zozeer gericht op het veroorzaken van de dood van de familie [benadeelde partij 1 en 2 en slachtoffer 1 en 2], dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de kans op het desbetreffende gevolg welke naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten, willens en wetens heeft aanvaard. Bevestiging daarvan kan ook nog worden gevonden in de navolgende feiten en omstandigheden, zoals daarvan uit de bewijsmiddelen blijkt. Na de verrichtingen van [medeverdachte 1] in de nabijheid van de brievenbus in de woning van de familie [benadeelde partij 1 en 2 en slachtoffer 1 en 2] te hebben gadegeslagen vanaf de bovenverdieping van de woning van [medeverdachte 2], kijkt [verdachte] toe hoe de woning van de familie [benadeelde partij 1 en 2 en slachtoffer 1 en 2] brandt. Hij onderneemt derhalve geen enkele actie om de familie [benadeelde partij 1 en 2 en slachtoffer 1 en 2] waarvan hij in ieder geval aanneemt dat deze in de woning ligt te slapen, te waarschuwen of om de gevolgen van de brand te beperken. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen (contra) indicaties naar voren gekomen, welke tot een ander oordeel zouden moeten leiden. III Gelet op de hierboven onder I weergegeven gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, ook hier bezien in onderlinge samenhang en (tijds)verband met de overige bewijsmiddelen is het hof verder van oordeel dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachten raad als is bewezen verklaard en voorts dat sprake is van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering met de medeverdachten dat dit wordt aangemerkt als medeplegen zoals eveneens bewezenverklaard." 6. Aldus heeft het Hof vastgesteld - waarvoor in de gebezigde bewijsmiddelen voldoende steun is te vinden - dat verzoeker bij de handelingen die aan de uitvoering van de feiten onmiddellijk vooraf gingen en op die uitvoering ook waren gericht aanwezig is geweest en daarbij ook een actieve rol heeft gespeeld, en vervolgens zijn mededaders niet heeft weerhouden van de (verdere) uitvoering van het feit, ofschoon hij daartoe in staat was. Op die grond kon het Hof oordelen dat verzoeker als medepleger bij de uitvoering van het feit betrokken is geweest, vgl. HR 12 april 2005, LJN AS2769. 7. Voorts heeft het Hof vastgesteld - en ook daarvoor bieden de gebezigde bewijsmiddelen voldoende steun - dat verzoeker, nadat hij uiting had gegeven aan zijn verlangen de mensen die in het huis lagen te slapen "iets aan te doen", nog de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn voornemen en zich daarvan rekenschap te geven, terwijl door verzoekers toedoen middelen zijn gebruikt die uitermate geschikt zijn die bewoners van het pand te doden. Derhalve kon het Hof oordelen dat verzoeker heeft gehandeld met het opzet en de voorbedachte raad, als bedoeld in art. 289 Sr, de bewoners van het huis van het leven te beroven, vgl. HR NJ 2000, 605, HR 11 juni 2002, LJN AE1743 en HR 23 mei 2006, LJN AR5714. 8. De middelen falen. 9. In het derde middel wordt er over geklaagd dat het Hof aan de krachtens art. 36f Sr opgelegde betalingsverplichtingen vervangende hechtenis van te lange duur heeft verbonden, aangezien die vervangende hechtenis in totaal 504 dagen beloopt, terwijl uit de art. 24c Sr, 60a Sr alsmede het door het Hof toegepaste art. 57 Sr voortvloeit dat die vervangende hechtenis ten hoogste één jaar kan belopen. 10. Dat is inderdaad de strekking van de aangehaalde bepalingen. Nu aanstonds, zonder nader onderzoek van feitelijke aard, duidelijk is welke beslissing moet volgen, kan de Hoge Raad deze fout herstellen. 11. De eerste twee middelen lenen zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering. Het derde middel is terecht voorgesteld en dient tot de navolgende beslissing te voeren. 12. Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd, doch uitsluitend ten aanzien van de vervangende hechtenis die in verband met de krachtens art. 36f Sr opgelegde maatregelen is bepaald, dat de Hoge Raad zal vaststellen dat deze vervangende hechtenis ter zake van de beide maatregelen gezamenlijk één jaar beloopt, en dat het beroep voor het overige zal worden verworpen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,


Uitspraak

29 mei 2007 Strafkamer nr. 02699/06 ZK/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 20 februari 2006, nummer 20/008819-05, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Haaglanden" (Unit 3) te 's-Gravenhage. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 14 april 2005 - de verdachte ter zake van onder 1 primair "medeplegen van moord, meermalen gepleegd" en onder 2 primair "medeplegen van poging tot moord, meermalen gepleegd" veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast heeft het Hof de verdachte betalingsverplichtingen opgelegd, een en ander zoals in het arrest omschreven. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend ten aanzien van de vervangende hechtenis die in verband met de krachtens art. 36f Sr opgelegde maatregelen is bepaald, tot vaststelling dat deze vervangende hechtenis ter zake van de beide maatregelen gezamenlijk één jaar beloopt en tot verwerping van het beroep voor het overige. 3. Beoordeling van het eerste en het tweede middel De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Beoordeling van het derde middel 4.1. Het middel klaagt dat het Hof aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen in totaal meer vervangende hechtenis heeft verbonden dan wettelijk is toegestaan. 4.2. De bestreden uitspraak houdt in dat het Hof aan de verdachte op de voet van art. 36f Sr de verplichting heeft opgelegd tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] van respectievelijk € 24.474,30 en € 22.474,30. Daarbij heeft het Hof de vervangende hechtenis bepaald op respectievelijk 257 en 247 dagen. 4.3. Op grond van art. 36f, zesde lid, Sr in verbinding met art. 24c Sr kan bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat zoals hier bedoeld, worden bepaald dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast. Deze vervangende hechtenis mag in het onderhavige geval, waarin sprake is van samenloop als bedoeld in art. 57 Sr, ingevolge art. 60a Sr in verbinding met art. 24c, derde lid, Sr ten hoogste één jaar bedragen. 4.4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het middel terecht is voorgesteld. Tot cassatie behoeft dit evenwel niet te leiden nu de Hoge Raad zelf de duur van de vervangende hechtenis zal verminderen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van één jaar. 5. Slotsom Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist. 6. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de bij de aan de verdachte opgelegde verplichtingen tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] bepaalde vervangende hechtenis; bepaalt dat het aan de Staat te betalen bedrag van € 24.474,30 ten behoeve van [benadeelde partij 1] bij gebreke van betaling en verhaal dient te worden vervangen door 190 dagen vervangende hechtenis; bepaalt dat het aan de Staat te betalen bedrag van € 22.474,30 ten behoeve van [benadeelde partij 2] bij gebreke van betaling en verhaal dient te worden vervangen door 175 dagen vervangende hechtenis; verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 29 mei 2007.