
Jurisprudentie
BA1822
Datum uitspraak2006-10-09
Datum gepubliceerd2007-03-29
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200607078/2
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-03-29
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200607078/2
Statusgepubliceerd
Indicatie
vovo
Niet valt op voorhand uit te sluiten dat de uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven.
Uitspraak
200607078/2.
Datum uitspraak: 9 oktober 2006
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/4719 en 06/4728 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 17 augustus 2006 in de gedingen tussen:
[vreemdeling 1]. en [vreemdeling 2],
en
verzoeker.
1. Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 23 september 2004 heeft verzoeker (hierna: de minister) aanvragen van [vreemdeling 1]. en [vreemdeling 2] (hierna: de vreemdelingen) om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij onderscheiden besluiten van 16 januari 2006 heeft de minister de daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 augustus 2006, verzonden op 30 augustus 2006, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister binnen een termijn van zes weken nieuwe besluiten neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 september 2006, hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de minister de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij brief van 2 oktober 2006 hebben de vreemdelingen een reactie ingediend.
2. Overwegingen
2.1. Het verzoek heeft geen verdere strekking dan dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de minister in afwachting van de uitspraak op het door hem ingestelde hoger beroep aan de aldus bestreden uitspraak geen gevolg hoeft te geven.
2.2. Niet valt op voorhand uit te sluiten dat de uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. De uitspraak op dat hoger beroep zal op korte termijn worden gedaan. Onder die omstandigheden en nu niet is gebleken van bijzondere belangen die er in dit geval toe nopen dat aan de aangevallen uitspraak gevolg wordt gegeven voordat op het hoger beroep is beslist, ziet de Voorzitter aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie geen nieuwe beslissingen op de bezwaarschriften hoeft te nemen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.J.J.M. van Tielraden, ambtenaar van Staat.
w.g. Claessens
Voorzitter w.g. Van Tielraden
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2006
156-479.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak

