
Jurisprudentie
BA2017
Datum uitspraak2007-04-27
Datum gepubliceerd2007-04-27
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersR07/035HR
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-04-27
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersR07/035HR
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bopz, verlening van nieuwe voorwaardelijke machtiging (art. 14c lid 2 Wet Bopz), vervolg op HR 2 februari 2007, nr. R06/128, NJ 2007, 90; toelaatbaarheid van in beschikking overgenomen (bijzondere) voorwaarde dat de betrokkene zich houdt aan de met casemanagement gemaakte afspraken; door art. 14a lid 7 aan de bijzondere voorwaarden te stellen eisen; behandelingsplan, rechtsgeldigheid; betekenis van vernietiging eerdere machtiging voor nieuwe machtiging.
Conclusie anoniem
R07/035HR
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 30 maart 2007
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
tegen
Officier van Justitie te Utrecht
In deze Bopz-zaak is een nieuwe voorwaardelijke machtiging verleend. Het cassatiemiddel stelt uiteenlopende kwesties aan de orde.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. Bij beschikking van 27 juli 2006 heeft de rechtbank te Utrecht ten aanzien van thans verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) een voorwaardelijke machtiging verleend. Tegen die beschikking is door betrokkene cassatieberoep ingesteld. Bij beschikking van 2 februari 2007, NJ 2007, 90, heeft de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank vernietigd en de zaak naar de rechtbank verwezen(1).
1.2. Inmiddels had de officier van justitie te Utrecht een nieuwe voorwaardelijke machtiging verzocht (art. 14c lid 2 Wet Bopz). Bij het verzoekschrift d.d. 27 december 2006 waren gevoegd: (a) een geneeskundige verklaring d.d. 21 december 2006 opgemaakt door de niet bij de behandeling betrokken psychiater Van Vliet, (b) een "behandelplan casemanagement" d.d. 11 december 2006, (c) een "akkoordverklaring voorwaardelijke Rechterlijke Machtiging" d.d. 11 december 2006, ondertekend door betrokkene en de casemanager [de casemanager], en (d) een overzicht "stand van zaken" m.b.t. de behandeling van betrokkene.
1.3. De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 15 januari 2007 in aanwezigheid van betrokkene en zijn raadsvrouwe, de behandelend psychiater Tenback en de behandelend arts mw. Terwisscha. Blijkens het proces-verbaal heeft betrokkene onder meer verklaard dat het nu beter met hem gaat en dat hij het innemen van het depot en het onderhouden van de contacten met de behandelaar zo wil volhouden. Ook zijn raadsvrouwe heeft verklaard dat betrokkene achter de aanvraag van de machtiging staat. Namens betrokkene heeft de raadsvrouwe echter diverse bezwaren van formele aard naar voren gebracht. Deze zien op de inhoud en ondertekening van de door de officier van justitie overgelegde bescheiden en op de bij de voorwaardelijke machtiging te stellen voorwaarden. Blijkens het proces-verbaal heeft de rechter aangekondigd dat hij de volgende dag een beslissing zou nemen. Aan het slot van het proces-verbaal is vermeld:
"De rechter gaat ervan uit dat de instelling alsnog zorg draagt voor het zo spoedig mogelijk overleggen van een met de handtekening van de psychiater voorziene laatste pagina van het behandelingsplan alsmede van een met de handtekening en/of naam van de opsteller voorzien exemplaar van `de stand van zaken'."
1.4. Bij beschikking van 16 januari 2007(2) heeft de rechtbank een nieuwe voorwaardelijke machtiging verleend voor de duur van een jaar, eindigend op 16 januari 2008. De rechtbank heeft in het dictum bepaald dat voor betrokkene de voorwaarden gelden:
- dat hij zich onder behandeling stelt van de behandelaar overeenkomstig het behandelingsplan d.d. 26 juni 2006;
- dat hij zich houdt aan de afspraken die met hem gemaakt worden door het casemanagementteam Woerden;
- dat hij de voorgeschreven depotmedicatie accepteert.
1.5. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Voor een overzicht van de toepasselijke regelgeving moge ik verwijzen naar de conclusie voorafgaand aan de reeds aangehaalde beschikking HR 2 februari 2007. Na een eerste voorwaardelijke machtiging, die ten hoogste zes maanden mag duren, kan de rechter een nieuwe voorwaardelijke machtiging verlenen indien naar het oordeel van de rechter de stoornis van de geestvermogens van de betrokkene ook na het verloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn en deze stoornis de betrokkene ook dan gevaar zal doen veroorzaken en het afwenden van het gevaar een nieuwe voorwaardelijke machtiging vereist (art. 14c, leden 2 en 3, Wet Bopz). Met betrekking tot de vormvoorschriften is van belang dat de officier van justitie een verklaring moet overleggen van een psychiater die de betrokkene met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht maar niet bij diens behandeling betrokken was, waaruit blijkt dat het geval bedoeld in het derde lid zich voordoet. Tevens wordt door de behandelaar een beschrijving overgelegd van de geestelijke en lichamelijke toestand van betrokkene, van de op hem toegepaste behandeling en de effecten daarvan (art. 14, lid 5, Wet Bopz).
2.2. Het zevende lid van art. 14c verklaart de artikelen 14a en 14b van overeenkomstige toepassing. Het belang daarvan voor deze zaak is dat de rechter een nieuwe voorwaardelijke machtiging slechts verleent indien de betrokkene zich bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarden, te weten: de (algemene) voorwaarde dat hij zich onder behandeling van de behandelaar stelt overeenkomstig het overgelegde behandelingsplan en daarnaast eventueel een of meer door de rechter te stellen (bijzondere) voorwaarden als bedoeld in art. 14a lid 7 Wet Bopz.
2.3. Onderdeel 1 klaagt dat de in het dictum gestelde algemene voorwaarde onbegrijpelijk is, omdat deze verwijst naar een behandelingsplan gedateerd 26 juni 2006. Volgens de toelichting op deze klacht behoort een behandelingsplan van die datum niet tot de gedingstukken, heeft de rechtbank de inhoud van dat plan niet getoetst en mocht de verzochte machtiging derhalve niet worden verleend met deze voorwaarde.
2.4. Het is toegestaan, maar niet per se nodig, dat voor een verzoek tot verlening van een nieuwe voorwaardelijke machtiging een nieuw behandelingsplan wordt opgemaakt. De officier van justitie kan bij de aanvraag van de nieuwe voorwaardelijke machtiging een afschrift van het behandelingsplan dat de vorige keer is gebruikt opnieuw aan de rechtbank overleggen, mits het plan niet is gewijzigd. Indien het behandelingsplan is gewijzigd behoort een afschrift van het gewijzigde plan aan de griffier van de rechtbank en aan de officier van justitie te worden toegezonden (art. 14b Wet Bopz). Dat afschrift wordt dan in het dossier gevoegd en kan van belang zijn bij de verlenging(3). De rechter die het verzoek tot verlening van een nieuwe voorwaardelijke machtiging behandelt zal de vraag aan de orde stellen of de betrokkene (nog steeds) bereid is zich onder behandeling van de behandelaar te stellen overeenkomstig het behandelingsplan.
2.5. In de procedure waarop het vorige cassatieberoep betrekking had, is een behandelingsplan d.d. 26 juni 2006 aan de (eerste) voorwaardelijke machtiging ten grondslag gelegd. De officier van justitie heeft in de huidige procedure niet het behandelingsplan d.d. 26 juni 2006 hergebruikt, maar een behandelingsplan gedateerd 11 december 2006 aan de rechtbank overgelegd(4). Waar de rechtbank in het dictum verwijst naar het behandelingsplan d.d. 26 juni 2006, is inderdaad niet duidelijk of de behandeling waarmee betrokkene zich blijkens de bestreden beschikking akkoord heeft verklaard, een behandeling is overeenkomstig het behandelingsplan d.d. 26 juni 2006 dan wel een behandeling overeenkomstig het behandelingsplan d.d. 11 december 2006. De klacht is derhalve gegrond.
2.6. Onderdeel 2 is subsidiair voorgesteld: indien de verwijzing in het dictum naar het behandelingsplan d.d. 26 juni 2006 wordt verstaan als een verwijzing naar het overgelegde behandelingsplan d.d. 11 december 2006, voldoet het overgelegde behandelingsplan niet aan de eisen die door de wet aan een zodanig plan worden gesteld.
2.7. Voor zover de Hoge Raad aan deze subsidiaire klacht toekomt, acht ik haar ongegrond. Een behandelingsplan behoort de therapeutische middelen te bevatten die zullen worden toegepast ten einde buiten de inrichting het gevaar af te wenden. Het plan regelt verder de wijze waarop de behandelaar erop toeziet dat het gevaar buiten de inrichting wordt afgewend (art. 14a lid 5 Wet Bopz)(5). Uitgaande van de veronderstelling dat de rechtbank het oog heeft gehad op het behandelingsplan d.d. 11 december 2006, heeft zij mogen oordelen dat dit plan aan deze vereisten voldoet. Anders dan het middelonderdeel suggereert, is niet vereist dat de bijzondere voorwaarden in het behandelingsplan zijn opgenomen. De rechter, niet de behandelaar, is immers degene die de bijzondere voorwaarden vaststelt(6).
2.8. Onderdeel 3 is eveneens subsidiair voorgesteld vanuit de veronderstelling dat de rechtbank in het dictum het behandelingsplan d.d. 11 december 2006 bedoelt. Het onderdeel klaagt dat uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet blijkt dat dit behandelingsplan is opgesteld door de psychiater die voor de behandeling verantwoordelijk zal zijn. Het onderdeel wijst op de discussie ter zitting in eerste aanleg. Voor het geval het document na de mondelinge behandeling mocht zijn aangevuld, klaagt het middelonderdeel dat betrokkene en zijn raadsvrouwe door de rechtbank niet naar behoren in de gelegenheid zijn gesteld zich over die aanvulling uit te spreken (art. 19 Rv).
2.9. Ter zitting van de rechtbank heeft de raadsvrouwe van betrokkene geklaagd dat zij onder het behandelingsplan de handtekening van de psychiater mist. De psychiater heeft hierop gereageerd met de mededeling dat op de fotokopie een stukje van die bladzijde is weggevallen en dat op het origineel wel een handtekening staat. De rechter heeft hierop de instelling verzocht dit bescheid alsnog over te leggen (zie alinea 1.3 hiervoor). Uit de door de griffie van de rechtbank aan de griffier van de Hoge Raad toegezonden processtukken blijkt dat een arts-assistent van het Sociaal-psychiatrisch behandelcentrum Woerden op 15 januari 2007 per fax een aanvulling op de eerder toegezonden stukken aan de officier van justitie heeft toegestuurd(7). Deze aanvulling omvat een kopie van het eerder toegezonden behandelingsplan d.d. 11 december 2006, ditmaal mede ondertekend door de behandelend psychiater Tenback. Noch uit de beschikking, noch uit het proces-verbaal, noch uit de overige gedingstukken blijkt dat de rechtbank betrokkene of zijn raadsvrouwe in de gelegenheid heeft gesteld van deze nagezonden bescheiden kennis te nemen en zich daarover uit te spreken. De casus lijkt sterk op die van HR 18 november 1994, NJ 1995, 262 (rov. 3.2). Omdat de rechter blijkens het proces-verbaal van verhoor de aanwezigen had medegedeeld te zullen beslissen zodra de - reeds overgelegde en aan partijen bekende - geneeskundige verklaring alsnog zou zijn ondertekend en niet bleek dat de betrokkene of haar advocaat hadden verzocht van die verklaring, nadat zij door het afdelingshoofd zou zijn ondertekend, (nogmaals) kennis te mogen nemen, kon de rechtbank gebruikmaken van de met die handtekening aangevulde en overigens ongewijzigde verklaring. Het komt mij voor dat de maatstaf van HR 18 november 1994 ook in deze zaak kan worden gevolgd.
2.10. Overigens is mij niet duidelijk waarom betrokkene zo aan de ondertekening van het behandelingsplan door de behandelaar hecht. De rechtbank heeft in haar beschikking (blz. 1) overwogen dat zij ter gelegenheid van het verhoor op 15 januari 2007 heeft vastgesteld dat het overgelegde behandelingsplan is opgesteld door de behandelaar, als hoedanig zij de behandelend psychiater Tenback heeft aangemerkt. Deze was ter zitting aanwezig. Daarmee kon de rechtbank volstaan: de wet vereist weliswaar dat het behandelingsplan door de behandelaar (de voor de behandeling verantwoordelijke psychiater) is opgesteld, maar vereist niet dat op het behandelingsplan diens handtekening is gesteld(8). In de vakliteratuur is erop gewezen dat verschillende fasen zijn te onderscheiden: een voorgenomen, een voorgesteld en een overeengekomen behandelingsplan. Vanuit de gedachte dat een behandeling in de regel alleen kan worden toegepast nadat een informed consent van de patiënt is verkregen, geldt een behandelingsplan als tot stand gekomen zodra de behandelaar en de patiënt over het plan tot overeenstemming zijn gekomen(9). De klacht is niet gegrond.
2.11. Onderdeel 4 heeft betrekking op de door art. 14c, lid 5, Wet Bopz vereiste beschrijving. Het onderdeel heeft betrekking op het hiervoor in alinea 1.2 onder d genoemde overzicht "stand van zaken". Het onderdeel klaagt dat uit het overgelegde stuk niet blijkt door wie het is opgesteld. Deze vraag is ter zitting in eerste aanleg door de raadsvrouwe van betrokkene aan de orde gesteld, waarna de rechter de instelling heeft verzocht dit stuk aan te vullen; zie alinea 1.4 hiervoor. Voor het geval het document nadien is aangevuld, klaagt het middelonderdeel dat betrokkene en zijn raadsvrouwe niet door de rechtbank in de gelegenheid zijn gesteld zich over die aanvulling uit te spreken (art. 19 Rv).
2.12. Uit de door de griffie van de rechtbank aan de griffie van de Hoge Raad toegezonden processtukken blijkt dat een arts-assistent van het Sociaal-psychiatrisch behandelcentrum Woerden op 15 januari 2007 per fax een aanvulling op de eerder toegezonden stukken aan de officier van justitie heeft gestuurd. Deze aanvulling omvat een kopie van het eerste blad van het door de officier van justitie overgelegde document "stand van zaken", waarop ditmaal een (voor mij overigens onleesbare) handtekening is gesteld. Noch uit de beschikking, noch uit het proces-verbaal of de overige gedingstukken blijkt dat de rechtbank betrokkene of zijn raadsvrouwe in de gelegenheid heeft gesteld van de nagezonden kopie met handtekening kennis te nemen en zich daarover uit te spreken. Hiervoor geldt m.i. hetzelfde als vermeld in alinea 2.9.
2.13. Inhoudelijk valt hierover het volgende op te merken. Bij een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis behoren de aantekeningen als bedoeld in art. 37a Wet Bopz te worden overgelegd(10). Art. 37a bepaalt dat de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis ervoor zorg draagt dat voor een patiënt aantekening wordt gehouden van diens geestelijke en lichamelijke toestand, van de op hem toegepaste behandeling en de effecten ervan. De aantekening wordt gehouden op een zodanige manier en met een zodanige regelmaat dat zij duidelijk inzicht geeft in het ziekteverloop(11).
2.14. Indien een voorwaardelijke machtiging is verleend, verblijft de betrokkene buiten het psychiatrisch ziekenhuis en kunnen dus geen aantekeningen als bedoeld in art. 37a worden overgelegd. De eis in art. 14c, lid 5, van het overleggen van de beschrijving heeft dezelfde strekking als het overleggen van de in art. 37a bedoelde aantekeningen, te weten dat zij de rechter inzicht geeft in het ziekteverloop. Art. 14c lid 5 bepaalt dat de beschrijving wordt overgelegd door de behandelaar. Dit veronderstelt dat de behandelaar degene is die de beschrijving heeft opgemaakt(12). De wet stelt niet de eis dat de handtekening van de behandelaar op de `beschrijving' is geplaatst. Waar de voor de behandeling verantwoordelijke psychiater ter zitting aanwezig was en klaarblijkelijk de inhoud van de beschrijving onderschreef, heeft de rechtbank m.i. mogen aannemen dat aan dit vereiste uit art. 14c lid 5 Wet Bopz was voldaan. Overigens is noch in eerste aanleg, noch in cassatie door betrokkene in twijfel getrokken dat de rechtbank uit de beschrijving voldoende inzicht in het ziekteverloop heeft kunnen verkrijgen. De klacht is daarom niet gegrond.
2.15. Onderdeel 5 klaagt dat de rechtbank als één van de (bijzondere) voorwaarden heeft opgelegd: dat betrokkene "zich houdt aan de afspraken die met hem gemaakt worden door het casemanagement team Woerden". Volgens het middelonderdeel voldoet een aldus geformuleerde voorwaarde niet aan het wettelijk vereiste dat de te stellen voorwaarden het bedrag van de betrokkene betreffen voor zover dit gedrag het gevaar, voortvloeiend uit de stoornis, beïnvloedt. Dit vraagstuk is uitgebreid aan de orde geweest in de procedure die geleid heeft tot de genoemde beschikking van de Hoge Raad van 2 februari 2007.
2.16. De rechtbank heeft (op blz. 2 en 3 van de bestreden beschikking) hieraan overwegingen gewijd die woordelijk overeenkomen met haar overwegingen in de voorafgaande beschikking van 27 juli 2006. Toen de rechtbank op 16 januari 2007 haar beschikking gaf kon zij geen weet hebben van hetgeen de Hoge Raad op 2 februari 2007 zou overwegen (in rov. 3.4.3). De Hoge Raad heeft, kort gezegd, ruimte geboden voor een flexibele omschrijving van de voorwaarde(n) mits voldoende is verzekerd dat de in deze voorwaarde bedoelde afspraken het gedrag van de betrokkene betreffen voor zover dit gedrag het gevaar, voortvloeiend uit de stoornis van de geestvermogens, beïnvloedt. Zulks had in de voorwaarde moeten zijn opgenomen. Nu dit in de thans bestreden beschikking niet is geschied, slaagt onderdeel 5.
2.17. Onderdeel 6 stelt een andersoortige vraag aan de orde. Het onderdeel stelt voorop dat een nieuwe voorwaardelijke machtiging voor de duur van een jaar slechts kan worden verleend indien daaraan een (eerste) voorwaardelijke machtiging van maximaal zes maanden is voorafgegaan. Die vooropstelling is juist (zie art. 14c Wet Bopz). Nu de beschikking van 27 juli 2006, waarbij de eerste voorwaardelijke machtiging werd verleend, inmiddels is vernietigd, kan volgens het middelonderdeel een nieuwe voorwaardelijke machtiging voor de duur van een jaar niet in stand blijven; hoogstens is een nieuwe voorwaardelijke machtiging voor de duur van zes maanden mogelijk.
2.18. Bij de invoering van de voorwaardelijke machtiging heeft de wetgever zoveel mogelijk aansluiting willen zoeken bij de regeling voor de gewone (onvoorwaardelijke) machtigingen(13). Een nieuwe voorwaardelijke machtiging wordt door de wetgever beschouwd als een zelfstandige titel, niet als een verlenging van de voorafgaande titel (ook al kan feitelijk wel van een verlenging worden gesproken)(14). Ook in andere zaken is wel aangenomen dat de eerste beschikking in geval van vernietiging niet per se de vervolgbeschikking in haar val meesleept(15). Hieruit leid ik af dat een vernietiging in cassatie van de voorafgaande voorwaardelijke machtiging geen afbreuk doet aan de geldigheid van de nieuwe voorwaardelijke machtiging. Daarenboven verdient opmerking dat toen de rechtbank op 16 januari 2007 besliste, de beschikking van 27 juli 2006 nog niet was vernietigd. Er gold op dat moment een voorwaardelijke machtiging voor de duur van zes maanden, zodat de rechtbank de nieuwe voorwaardelijke machtiging kon verlenen voor de duur van een jaar. Het onderdeel faalt.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Utrecht.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Ook gepubliceerd in BJ 2007, 4. De instantie, waarin die zaak zich bevond, loopt door totdat daarin een eindbeslissing is gegeven (zie voor dit laatste onder meer: HR 10 augustus 1983, NJ 1984, 182 m.nt. PAS; HR 21 oktober 1994, NJ 1995, 398 m.nt. HJS; HR 13 oktober 2006, NJ 2006, 562). Uit niets blijkt dat de rechtbank na de verwijzing een beslissing op het aanvankelijke verzoek heeft genomen.
2 De vermelding van de datum 15 januari 2007 in de slotregel van de bestreden beschikking is een kennelijke verschrijving, gelet op het dictum en hetgeen in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is vermeld.
3 Nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken II 2000/01, 27 289, nr. 7, blz. 34. Zie ook De Wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, losbl., aant. 3 op art. 14c (W. Dijkers).
4 Omdat onduidelijkheid bestond over de vraag wat wel en wat niet tot het procesdossier in eerste aanleg behoort, heb ik op grond van art. 83 en 120 RO jo. art. 34 Rv bij de griffie van de rechtbank een afschrift van het procesdossier in eerste aanleg laten opvragen. Tot het rechtbankdossier behoort wel een behandelingsplan d.d. 11 december 2006, maar niet een behandelingsplan d.d. 26 juni 2006.
5 Bij AMvB kunnen nadere regels worden gesteld. Zie art. 2 van het Besluit rechtspositieregelen Bopz. De toetsing in cassatie is op dit punt beperkt: HR 24 juli 1995, NJ 1996, 606, rov. 3.3.
6 Dit laat onverlet dat aan de vaststelling van de voorwaarden door de rechter in de regel een voorstel vooraf gaat van de zijde van de behandelaar.
7 De nagezonden documenten, van de griffier van de rechtbank ontvangen, zijn inmiddels door de griffie van de Hoge Raad ter kennis van de advocaat van betrokkene gebracht.
8 HR 21 juni 1996, NJ 1997, 343 m.nt. JdB (t.a.v. onderdeel 3). Dit is een verschil met de geneeskundige verklaring; daar eist art. 14a lid 4 Wet Bopz dat de verklaring door de (niet bij de behandeling betrokken) psychiater is ondertekend. Voor de patiënt die in een psychiatrisch ziekenhuis is opgenomen bepaalt art. 38 Wet Bopz dat de geneesheer-directeur een behandelingsplan doet opstellen door de voor de behandeling verantwoordelijke persoon; het behandelingsplan maakt deel uit van het patiëntendossier (art. 56 Wet Bopz).
9 De wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, losbl., aant. 3.4 op art. 16 (W. Dijkers).
10 Zie art. 16 lid 4 Wet Bopz; R.B.M. Keurentjes, Tekst en toelichting Wet Bopz, editie 2005, blz. 107-108.
11 Zie ook art. 56 Wet Bopz: in het patiëntendossier wordt aantekening gehouden van de voortgang per maand in de uitvoering van het behandelingsplan.
12 Vgl. R.B.M. Keurentjes, Tekst en toelichting Wet Bopz, editie 2005, blz. 88-89; De Wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, losbl., aant. 3 op art. 14c (W. Dijkers).
13 MvT, Kamerstukken II 1999/2000, 27 289, nr. 3, blz. 7-8.
14 NAV, Kamerstukken II 2000/01, 27 289, nr. 7, blz. 20.
15 Vgl. HR 22 oktober 1993, NJ 1994, 66 (m.b.t. een beschikking tot verlenging van de termijn van uithuisplaatsing van een minderjarige); Rb. Amsterdam 17 april 2003, BJ 2003, 24 m.nt. red.; noot W. Dijkers onder Rb Almelo 5 juni 2001, BJ 2001, 53.
Uitspraak
27 april 2007
Eerste Kamer
Rek.nr. R07/035HR
MK
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt.
t e g e n
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISEMENT UTRECHT,
gevestigd te Utrecht,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instantie
De Officier van Justitie in het arrondissement Utrecht heeft op 27 december 2006 onder overlegging van een op 21 december 2006 door H.J. van Vliet, als de niet bij de behandeling betrokken psychiater, ondertekende geneeskundige verklaring en het in art. 14a lid 5 Wet Bopz bedoelde behandelplan, gedateerd 11 december 2006, met bijlagen, de rechtbank aldaar verzocht ten aanzien van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: betrokkene - een nieuwe voorwaardelijke machtiging te verlenen.
De rechtbank heeft het verzoek ter terechtzitting van 15 januari 2007 mondeling behandeld in aanwezigheid van betrokkene en zijn raadsvrouw, behandelend psychiater D.E. Tenback en behandelend arts mw. A.E. Terwisscha.
Ter terechtzitting heeft de raadsvrouwe van betrokkene bezwaren naar voren gebracht die zagen op de inhoud en ondertekening van de door de officier van justitie overgelegde bescheiden en op de bij de voorwaardelijke machtiging te stellen voorwaarden. Blijkens het proces-verbaal heeft de rechter aangekondigd dat hij de volgende dag een beslissing zou nemen.
Bij beschikking van 16 januari 2007 heeft de rechtbank een nieuwe voorwaardelijke machtiging verleend voor de duur van een jaar, ingaande 16 januari 2006 en eindigende op 16 januari 2008. De rechtbank heeft bepaald dat voor betrokkene de voorwaarden gelden:
- dat hij zich onder behandeling stelt van de behandelaar overeenkomstig het behandelingsplan d.d. 26 juni 2006;
- dat hij zich houdt aan de afspraken die met hem gemaakt worden door het casemanagement team Woerden;
- dat hij de voorgeschreven depot medicatie accepteert.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Utrecht.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In deze zaak is van belang dat ten aanzien van betrokkene de rechtbank bij beschikking van 27 juli 2006 een voorwaardelijke machtiging heeft verleend voor de duur van zes maanden. Het tegen deze beschikking door betrokkene ingestelde cassatieberoep heeft geleid tot de beschikking van de Hoge Raad van 2 februari 2007, nr. R06/128, NJ 2007, 90 waarbij de beschikking van de rechtbank is vernietigd en die zaak is verwezen naar de rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
3.2.1 In de onderhavige zaak heeft de officier van justitie een nieuwe voorwaardelijke machtiging ten aanzien van betrokkene verzocht en daarbij de volgende stukken overgelegd:
(a) een op 21 december 2006 ondertekende geneeskundige verklaring van een niet bij de behandeling betrokken psychiater, (b) een afschrift van een met betrokkene op 11 december 2006 besproken "behandelingsplan casemanagement",
(c) een door betrokkene, behandelend psychiater Tenback en casemanager [de casemanager] ondertekende "Akkoordverklaring voorwaardelijke Rechterlijke Machtiging" van 11 december 2006, en
(d) een ten behoeve van de aanvrage opgesteld overzicht "stand van zaken" houdende een beschrijving van de behandelaar van de geestelijke en lichamelijke toestand van betrokkene, van de op hem toegepaste behandeling en de effecten daarvan.
3.2.2 Ter zitting van 15 januari 2007 heeft de raadsvrouw van betrokkene met betrekking tot die stukken opgemerkt dat de kopie van het behandelingsplan niet was voorzien van de handtekening van de psychiater, dat niet duidelijk was van wie het overzicht "stand van zaken" afkomstig was en dat de in de akkoordverklaring vermelde voorwaarde over de afspraken onvoldoende gespecificeerd is en die over het depot te ruim geformuleerd, nu daarover in het behandelingsplan niets staat.
Daarop heeft de behandelaar verklaard dat een stukje van de laatste bladzijde van het behandelingsplan was weggevallen en op het origineel wel een handtekening staat. In verband hiermee heeft de rechtbank de instelling in de gelegenheid gesteld alsnog zorg te dragen voor het zo spoedig mogelijk overleggen van een van de handtekening van de psychiater voorziene laatste pagina van het behandelingsplan en van een van de handtekening en/of naam van de opsteller voorzien exemplaar van het overzicht "stand van zaken".
3.3 De rechtbank heeft in de bestreden beschikking bepaald dat voor betrokkene de bijzondere voorwaarden gelden:
- dat hij zich onder behandeling stelt van de behandelaar overeenkomstig het behandelingsplan van 26 juni 2006;
- dat hij zich houdt aan de afspraken die met hem gemaakt worden door het casemanagement team Woerden;
- dat hij de voorgeschreven depotmedicatie accepteert.
3.4 Tegen de bijzondere voorwaarde dat betrokkene "zich houdt aan de afspraken die met hem gemaakt worden door het casemanagement team Woerden" keert zich onderdeel 5, dat de Hoge Raad als eerste zal behandelen.
Het onderdeel is gegrond want het klaagt, onder verwijzing naar de hiervoor in 3.1 genoemde beschikking van de Hoge Raad, terecht dat de rechtbank ten onrechte in deze voorwaarde niet heeft opgenomen, en daardoor onvoldoende is verzekerd, dat de in de voorwaarde bedoelde afspraken moeten betreffen het gedrag van betrokkene, voor zover dit gedrag het gevaar, voortvloeiende uit de stoornis van de geestvermogens, beïnvloedt.
3.5 Onderdeel 1 dat erover klaagt dat in de hiervoor in 3.3 als eerste genoemde voorwaarde het verkeerde behandelingsplan is vermeld - in plaats van het hiervoor in 3.2.1 onder (b) vermelde behandelingsplan van 11 december 2006 - behoeft geen behandeling. Wat er ook zij van deze klacht, na verwijzing zal de rechtbank zich in elk geval ervan dienen te vergewissen dat zij dan alsnog beslist op basis van het laatstgenoemde behandelingsplan, althans, indien inmiddels het behandelingsplan op de voet van art. 14b Wet Bopz mocht zijn gewijzigd, het dan ten aanzien van betrokkene geldende behandelingsplan.
3.6 Onderdeel 2, dat klaagt dat het behandelingsplan van 11 december 2006 niet voldoet aan de eisen die de wet stelt, faalt, omdat, zoals is uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.7, de wet, anders dan het onderdeel tot uitgangspunt neemt, niet de eis stelt dat in het behandelingsplan de voorwaarden worden opgenomen. De rechter stelt de voorwaarden zelf vast.
Voorzover het onderdeel mede beoogt te klagen over de door de rechtbank gestelde voorwaarde die door onderdeel 5 met vrucht is bestreden, behoeft het geen behandeling.
3.7 Onderdeel 3 klaagt dat uit het behandelingsplan van 11 december 2006 niet blijkt dat het is opgesteld door de psychiater die voor de behandeling verantwoordelijk zal zijn en onderdeel 4 bevat de klacht dat uit het hiervoor in 3.2.1 (d) vermelde overzicht "stand van zaken" niet blijkt door wie het is opgesteld en dat, voorzover na de zitting exemplaren van die stukken zijn overgelegd waaruit een en ander alsnog blijkt, deze niet aan betrokkene of zijn raadsvrouw ter kennis zijn gebracht en dezen niet in staat zijn gesteld daarop te reageren.
Deze onderdelen behoeven geen behandeling nu na verwijzing een en ander alsnog aan de orde zal kunnen komen.
3.8 Onderdeel 6 gaat terecht ervan uit dat een voor de eerste keer op de voet van art. 14c lid 2 te verlenen voorwaardelijke machtiging slechts kan worden verleend indien daaraan een eerste voorwaardelijke machtiging op de voet van het eerste lid van dat artikel is voorafgegaan. Het onderdeel verbindt hieraan het gevolg dat nu de eerste voorwaardelijke machtiging (van 27 juli 2006) inmiddels door de Hoge Raad is vernietigd, de grondslag is komen te ontvallen aan de in het onderhavige geval op de voet van het tweede lid verleende voorwaardelijke machtiging. Dit betoog is onjuist. Naar volgt uit de wetsgeschiedenis, zoals in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.18 is uiteengezet, behoudt iedere door de rechter verleende voorwaardelijke machtiging haar rechtskracht indien een daaraan voorafgaande voorwaardelijke machtiging in beroep is vernietigd.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 16 januari 2007;
verwijst het geding naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, J.C. van Oven en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 27 april 2007.

