Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA2156

Datum uitspraak2007-04-03
Datum gepubliceerd2007-04-04
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/437 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking WAO-uitkering.


Uitspraak

05/437 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 december 2004, 03/3322 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 3 april 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. K.L. Sett, advocaat te Hilversum, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2007. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuysen. II. OVERWEGINGEN Bij besluit van 11 juni 2003, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen een besluit van 3 januari 2003, waarbij de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellante met ingang van 29 januari 2003 is ingetrokken onder overweging dat appellante niet langer voor tenminste 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante geen medische stukken in geding heeft gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv over de belastbaarheid van appellante. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust. Wat betreft de geschiktheid van de voor appellante geselecteerde functies is de rechtbank van oordeel dat de toelichting en de motivering die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, voldoen aan de daaraan te stellen eisen van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid die de Raad in zijn jurisprudentie over het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) in het kader van de toepassing van de WAO heeft ontwikkeld. Dit alles heeft ertoe geleid dat de rechtbank het bestreden besluit in stand heeft gelaten. In hoger beroep is aangevoerd dat de bezwaarverzekeringsarts het oordeel van de huisarts ontoelaatbaar heeft gerelativeerd en dat de rechtbank ten onrechte de vraag niet heeft beantwoord of de bezwaarverzekeringsarts, de klachten van appellante in aanmerking genomen, niet te positieve beoordelingen heeft gegeven. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad geen aanleiding gegeven om anders over het bestreden besluit te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan. Uit de gedingstukken blijkt dat de bezwaarverzekeringsarts A.C.J. Wever, die de belastbaarheid van appellante in bezwaar heeft aangescherpt, rekening heeft gehouden met hetgeen de huisarts in zijn brief van 10 april 2003 aan de bezwaarverzekeringsarts als diagnose heeft vermeld. In de beschouwing in zijn rapport van 24 mei 2003 heeft Wever toegelicht waarom hij aanvullende beperkingen op psychisch terrein heeft gesteld en waarom hij van oordeel is dat appellantes aandoening niet tot het oordeel kan leiden dat zij in het geheel niet zou kunnen werken. Die toelichting acht de Raad voldoende en ook voldoende medisch onderbouwd. Daar tegenover staat dat de huisarts zijn opvatting over het al dan niet kunnen werken door appellante nauwelijks met medische gegevens heeft onderbouwd. Terecht heeft de rechtbank aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts doorslaggevende betekenis toegekend. Voorts overweegt de Raad dat van de kant van appellante ook in hoger beroep geen medische gegevens zijn overgelegd die erop zouden kunnen wijzen dat de belastbaarheid van appellante is overschat. Het oordeel van de rechtbank over de geschiktheid van de geselecteerde functies en over de toelichting en de motivering daarvan in het bestreden besluit, is van de zijde van appellante in hoger beroep niet bestreden en ook de Raad niet onjuist voorgekomen. Nu ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 april 2007. (get) K.J.S. Spaas. (get) M. Gunter.