
Jurisprudentie
BA2208
Datum uitspraak2007-04-04
Datum gepubliceerd2007-04-04
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200605638/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-04-04
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200605638/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 19 februari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (hierna: het college) appellant een bouwvergunning eerste fase geweigerd voor het verbreden van de brug over de Stompwijksevaart nabij de woning [locatie] te Leidschendam.
Uitspraak
200605638/1.
Datum uitspraak: 4 april 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/6804 van de rechtbank
's-Gravenhage van 10 juli 2006 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg.
1. Procesverloop
Bij besluit van 19 februari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (hierna: het college) appellant een bouwvergunning eerste fase geweigerd voor het verbreden van de brug over de Stompwijksevaart nabij de woning [locatie] te Leidschendam.
Bij besluit van 22 juni 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 juni 2005, verzonden op 3 juni 2005, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Bij besluit van 15 september 2005 heeft het college de bezwaren van appellant wederom ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 juli 2006, verzonden op 13 juli 2006, heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 30 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 1 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 18 oktober 2006 heeft het college van antwoord gediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door ing. J.L van Brecht en het college, vertegenwoordigd door mr. Z. Lagkali, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het betoog van appellant dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2001" (hierna: het bestemmingsplan) en het college niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen weigeren voor het bouwplan omdat er geen sprake is van strijdig gebruik van het achtergelegen perceel, betreft een herhaling van hetgeen hij bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan nu de op de Stompwijksevaart rustende bestemming "Boezemwater" niet voorziet in het oprichten van een brug. Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat mede gelet op het feit dat het gebruik van het achtergelegen perceel voor transportdoeleinden in strijd is met de op dit perceel rustende bestemming "Agrarisch bedrijfscentrum, categorie III", het college in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen weigeren voor het bouwplan. Appellant heeft in dit verband niet aannemelijk gemaakt dat hij op dit perceel een hoveniersbedrijf uitoefent. Tot slot heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het door appellant genoemde geval Stompwijkseweg 27 niet als een rechtens vergelijkbaar geval kan worden beschouwd, nu dit perceel nog wel overeenkomstig de bestemming wordt gebruikt.
2.2. Ter zitting heeft appellant nog verwezen naar het komende bestemmingsplan. Deze verwijzing kan appellant echter niet baten, omdat in dezen moet worden getoetst aan het bestemmingsplan dat gold toen het college de tweede beslissing op bezwaar nam.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.
w.g. Offers w.g. Lodder
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2007
17-503.

