
Jurisprudentie
BA2273
Datum uitspraak2007-05-29
Datum gepubliceerd2007-07-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers02626/06 H, 02627/06 H & 02628/06
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-07-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers02626/06 H, 02627/06 H & 02628/06
Statusgepubliceerd
Indicatie
Herziening.
Conclusie anoniem
Nr. 02626/06 H, 02627/06 H & 02628/06
Mr. Vellinga
Zitting: 27 maart 2007
Conclusie inzake:
[aanvrager]
1. De Politierechter te Haarlem heeft aanvrager bij vonnis van 10 februari 2005 veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden ter zake van 'opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod' alsmede de maatregel van onttrekking aan het verkeer opgelegd (zaaksnummer 02626/06 H), de Rechtbank te Amsterdam heeft de aanvrager bij vonnis van 15 maart 2002 ter zake van 'poging tot doodslag, meermalen gepleegd' veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en zes maanden, twee vorderingen van benadeelde partijen toegewezen en twee schadevergoedingsmaatregelen opgelegd (zaaksnummer 02627/06 H), en de Politierechter te Amsterdam heeft bij vonnis van 4 oktober 2001 de aanvrager veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van honderdtwintig uren, subsidiair zestig dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren wegens 'opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd' (zaaksnummer 02628/06 H).
2. Namens de aanvrager heeft mr. K. Ramdhan, advocaat te Amsterdam, drie aanvragen tot herziening van bovenvermelde vonnissen(1) ingediend.
3. Alle drie de aanvragen steunen op de stelling dat de broer van aanvrager, [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1976, de persoonsgegevens van de aanvrager, te weten [aanvrager], geboren op [geboortedatum] 1979, heeft opgegeven bij zijn aanhoudingen ter zake van de bovengenoemde feiten en aanvrager derhalve ten onrechte voor die feiten is veroordeeld.
4. In de aanvragen wordt om deze stelling te onderbouwen aangevoerd dat [getuige 1] op 20 oktober 2005 bij de politie heeft verklaard dat [betrokkene 1] de naam van zijn broer (de aanvrager) gebruikt om uit de problemen te blijven. Kopieën van het proces-verbaal van politie waarin deze verklaring is opgenomen zijn bij de aanvragen gevoegd. Daarnaast wordt aangevoerd dat de broer van aanvrager op 3 oktober 2005 door de politie is aangehouden en dat uit het proces-verbaal volgt dat de politie er achter is gekomen dat deze broer de naam van aanvrager gebruikte. Bij zijn aanhouding gaf de broer van aanvrager aanvankelijk de naam [...] op, maar na controle van de vingerafdrukken bleek dat die op naam stonden van de aanvrager. Het proces-verbaal van politie houdt in dat ook die naam vals is en dat de aangehoudene in werkelijkheid [betrokkene 1] is. Ook van dit proces-verbaal zijn kopieën bij de aanvragen gevoegd.
5. Om de gegrondheid van de aanvragen tot herziening te beoordelen heb ik het College van Procureurs-Generaal verzocht om nader onderzoek te doen verrichten. De resultaten van dit onderzoek houden het volgende in.
6. De op 26 september 2001 afgenomen vingerafdrukken die op naam van de aanvrager staan zijn niet dezelfde als de vingerafdrukken van de aanvrager, zoals die op 2 januari 2007 bij hem zijn afgenomen. Daarnaast heeft de politie de aanvrager en zijn moeder gehoord. De verklaring van de aanvrager houdt onder meer in dat hij in de zomer van 2005 een brief van de gemeentelijke sociale dienst heeft ontvangen waarin hem werd meegedeeld dat zijn uitkering werd gestopt, omdat hij vast zou zitten op Schiphol; een en ander verbaasde aanvrager, omdat hij niet vast zat. Tevens houdt zijn verklaring in dat hij in oktober 2005 samen met zijn broer [betrokkene 1] is aangehouden, dat hem toen bleek dat zijn broer zijn naam eerder had gebruikt en dat zijn broer, nadien door de aanvrager hierop aangesproken, hem zei dat hij er maar mee moest leven.
7. De verklaring van de moeder van aanvrager houdt het volgende in. De moeder van de aanvrager verbleef in Nederland, terwijl haar zonen [betrokkene 1] en [aanvrager] in Suriname verbleven. In Nederland kwam zij hun vader tegen. De vader van [aanvrager] en [betrokkene 1] heeft op haar verzoek [aanvrager] erkend; [betrokkene 1] heette al [...]. Zo kreeg [aanvrager] in Suriname een Nederlands paspoort. Kort nadat de aanvrager in Nederland was aangekomen, kreeg zijn moeder zijn paspoort in handen. Dat stuurde zij, rond het jaar 2000 aan de broer van aanvrager, die hiermee naar Nederland is gekomen. Na aankomst in Nederland heeft moeder het paspoort aan aanvrager teruggegeven. Vanaf zijn komst in Nederland, aldus de moeder, heeft de broer van aanvrager diens persoonsgegevens gebruikt. Daarvan was de aanvrager, die bij zijn vader verbleef, niet door zijn moeder op de hoogte gebracht. Dat heeft zij gedaan toen zij, de moeder en haar twee zoons, in 2005 zijn aangehouden.
Verder behelst deze verklaring dat aanvrager de Nederlandse nationaliteit bezit en zijn broer de Surinaamse. Daarnaast verklaart de moeder dat zij van [betrokkene 1] hoorde dat hij in Suriname door de politie werd gezocht en dat hij naar Nederland belde om met het paspoort van zijn broer naar Nederland te komen.
8. De resultaten van het bovengenoemde nadere onderzoek en het in de aanvragen aangevoerde wekken het ernstige vermoeden, dat genoemde uitspraken berusten op verwisseling van de persoon van aanvragers broer [betrokkene 1] met die van aanvrager.
9. Met betrekking tot de zaak met het nummer 02626/06 merk ik voorts nog het volgende op. De veroordeling van de Politierechter te Haarlem betrof de invoer van onder meer cocaïne op 6 december 2004. Uit de onderliggende stukken volgt dat de Koninklijke Marechaussee na de aanhouding van een persoon die bij zijn verhoor de persoonsgegevens van de aanvrager opgaf, op 6 december 2004 een paspoort aangetroffen dat op naam stond van de aanvrager. Uit de verklaring van de moeder zoals hierboven weergegeven volgt niet ondubbelzinnig dat de broer van aanvrager in 2004 opnieuw het paspoort van aanvrager in handen heeft gekregen om daarmee naar Nederland te reizen.
10. Bij de stukken van deze zaak bevindt zich een proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee van 5 januari 2005. In dat proces-verbaal geven de verbalisanten aan dat bij de politie Amsterdam-Amstelland een anonieme melding was binnengekomen dat "verdachte [aanvrager] vastzit op de personalia van zijn broer". Daarop hebben de verbalisanten de vingerafdrukken van de aangehouden persoon afgenomen en die via de dactyfoon naar de dienst nationale Recherche Informatie te Zoetermeer gezonden. Uit het daar ingestelde onderzoek bleek, aldus de verbalisanten, dat het dactyloscopisch signalement van de aangehouden persoon in de databank van die Dienst voorkwam.
11. Gelet op het hierboven onder 6 weergeven resultaat van het dactyloscopisch onderzoek van de aanvrager rijst ook hier het ernstige vermoeden dat de aangehouden persoon niet de aanvrager was. Onder diens naam waren immers de dactyloscopische gegevens van aanvragers broer [betrokkene 1] opgeslagen.
12. Het voorgaande brengt mij tot de slotsom dat in alle drie zaken sprake is van een in artikel 457 onder 2° Sv bedoelde omstandigheid die de rechter tijdens het onderzoek op de terechtzitting niet is gebleken en die met de gegeven uitspraak niet bestaanbaar schijnt, in die zin dat daardoor het ernstig vermoeden ontstaat dat ware zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid tot vrijspraak van de aanvrager.
De aanvragen tot herziening moeten dus gegrond worden geacht.
13. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvragen tot herziening gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de vonnissen van de Politierechter te Haarlem van 10 februari 2005, van de Rechtbank te Amsterdam van 15 maart 2002 en de Politierechter te Amsterdam van 4 oktober 2001 zal bevelen, en de zaken zal verwijzen naar het gerechtshof te Amsterdam opdat de zaken op de voet van art. 467 Sv opnieuw zullen worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Uit de stukken van de dossiers volgt dat de vonnissen onherroepelijk zijn.
Uitspraak
29 mei 2007
Strafkamer
nr. 02626/06 H, 02627/06 H en 02628/06 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op de aanvragen tot herziening van
- een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Haarlem van 10 februari 2005, nummer
15/00399-04,
- een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 15 maart 2002, nummer 13/021775-01,
- een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 4 oktober 2001, nummer 13/057716-01 ingediend door mr. K. Ramdhan, advocaat te Amsterdam namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraken waarvan herziening is gevraagd
1.1. De Politierechter te Haarlem heeft de aanvrager ter zake van "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met onttrekking aan het verkeer zoals in het vonnis omschreven.
1.2. De Rechtbank te Amsterdam heeft de aanvrager ter zake van "poging tot doodslag, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden. De Rechtbank heeft voorts de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen zoals in het vonnis vermeld en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
1.3. De Politierechter te Amsterdam heeft de aanvrager ter zake van "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair zestig dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk, met teruggave van inbeslaggenomen goederen zoals in het vonnis omschreven.
2. De aanvragen tot herziening
2.1. De aanvragen tot herziening zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
2.2. De aanvragen berusten op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe telkens aan dat sprake is van persoonsverwisseling.
3. De conclusie van de Advocaat-Generaal
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvragen gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de in de aanvragen vermelde uitspraken zal bevelen en de zaken zal verwijzen naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaken zullen worden behandeld en afgedaan op de wijze als in art. 467, eerste lid, Sv is voorzien.
4. Beoordeling van de aanvragen
4.1. Als bijlagen bij de aanvragen zijn onder meer telkens gevoegd:
- een afschrift van een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], opgemaakt op 20 oktober 2005, onder meer inhoudende als verklaring van [getuige 1], zakelijk weergegeven, dat [betrokkene 1] de naam van zijn broer [aanvrager] gebruikt om uit de problemen te blijven (productie 2);
- een afschrift van enkele bladzijden uit een proces-verbaal van politie betreffende een op 23 september 2005 gepleegde overtreding van art. 2 Opiumwet, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, dat de als verdachte aangehouden persoon "[aanvrager]" na controle van de vingerafdrukken een persoon is die zich in 2001 van de valse naam "[aanvrager]" heeft bediend en die in werkelijkheid [betrokkene 1] is, de broer van [aanvrager] (productie 3).
4.2.1. Naar aanleiding van de aanvragen is op verzoek van de Advocaat-Generaal, door tussenkomst van het College van Procureurs-Generaal, een nader onderzoek ingesteld door het Arrondissementsparket Amsterdam. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de buitengewoon opsporingsambtenaar [verbalisant 5], en in twee processen-verbaal van politie (met daaraan gehecht vier foto's), opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4].
4.2.2. Het proces-verbaal van politie, opgemaakt door [verbalisant 5], houdt - kort gezegd - in dat een op 26 september 2001 vervaardigd dactyloscopisch signalement, gesteld ten name van [aanvrager], geboren op [geboortedatum] 1979, niet identiek is aan een op 2 januari 2007 vervaardigd dactyloscopisch signalement van de aanvrager, zodat deze signalementen zijn vervaardigd van verschillende personen.
4.2.3. De processen-verbaal van politie, opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], behelzen verklaringen van de aanvrager en zijn moeder, [betrokkene 2].
De verklaring van de aanvrager houdt onder meer in:
- dat hij in de zomer van 2005 een brief heeft ontvangen van de Sociale Dienst dat zijn uitkering gestopt werd omdat hij vast zou zitten op Schiphol, terwijl hij niet vast zat;
- dat hij in oktober 2005 met zijn broer [betrokkene 1] werd aangehouden in het huis van hun moeder ter zake van overtreding van de Opiumwet en dat hem na die aanhouding is gebleken dat zijn broer [betrokkene 1] eerder zijn, aanvragers, naam had gebruikt; en
- dat hij zijn broer heeft aangesproken op het gebruik van zijn, aanvragers, naam en dat zijn broer zei dat hij, aanvrager, er maar mee moest leren leven.
De verklaring van de moeder van de aanvrager houdt onder meer in:
- dat de aanvrager, na erkenning door zijn vader [betrokkene 3], een Nederlands paspoort heeft gekregen en vervolgens vanuit Suriname naar Nederland is gekomen met dat paspoort;
- dat zij het paspoort van de aanvrager in handen heeft gekregen en rond 2000 naar diens broer, [betrokkene 1], in Suriname heeft gestuurd, die met dat paspoort naar Nederland is gekomen;
- dat zij het paspoort een aantal maanden na de komst van [betrokkene 1] naar Nederland heeft teruggegeven aan de aanvrager;
- dat [betrokkene 1] vanaf zijn komst naar Nederland de persoonsgegevens van de aanvrager heeft gebruikt tot de aanhouding in haar woning in 2005; en
- dat zij anderhalf jaar nadat [betrokkene 1] naar Nederland was gekomen hoorde dat hij zich bezig hield met criminele zaken en, als gevolg van een bezoek van de politie die vroeg naar [aanvrager], wist dat [betrokkene 1] de naam van zijn broer misbruikte, maar dat de aanvrager dat niet wist en zij de aanvrager eerst na de aanhouding in 2005 daarvan op de hoogte heeft gebracht.
Voorts houden voormelde verklaringen in dat de aanvrager en zijn moeder op foto's die - blijkens een brief van M.E. Woudman, officier van justitie bij het Arrondissementsparket Amsterdam - zijn gemaakt naar aanleiding van de feiten waarop de in herziening bestreden uitspraken betrekking hebben, [betrokkene 1], herkennen.
4.3. In de zaak waarop de veroordeling van de Politierechter te Haarlem betrekking heeft, is bij de persoon die bij zijn aanhouding op 6 december 2004 de persoonsgegevens van de aanvrager heeft opgegeven een paspoort aangetroffen dat op naam stond van de aanvrager. Uit een zich bij de stukken van die zaak bevindend proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee blijkt dat het dactyloscopisch signalement van de aangehouden persoon voorkwam in de databank van de Dienst Nationale Recherche Informatie onder de naam van de aanvrager. Zoals hiervoor onder 4.2.2 weergegeven is echter uit het dactyloscopisch onderzoek dat is verricht in het kader van het door de Advocaat-Generaal verzochte nader onderzoek, gebleken dat het dactyloscopisch signalement dat onder de naam van de aanvrager was opgeslagen niet identiek is aan het dactyloscopisch signalement van de aanvrager dat in 2007 is vervaardigd, zodat het ernstige vermoeden rijst dat de destijds aangehouden persoon niet de aanvrager was.
4.4. De inhoud van de hiervoor onder 4.1 vermelde stukken, de hiervoor onder 4.2.2 en 4.2.3 weergegeven resultaten van het op verzoek van de Advocaat-Generaal verrichte onderzoek en hetgeen is overwogen onder 4.3, geven steun aan de stelling waarop de aanvragen berusten, te weten dat in de zaken die hebben geleid tot de uitspraken waarvan herziening is gevraagd, sprake is geweest van persoonsverwisseling.
4.5. Een en ander levert het ernstig vermoeden op dat de Politierechter te Haarlem, onderscheidenlijk de Rechtbank te Amsterdam en de Politierechter te Amsterdam, waren zij met de evenvermelde feiten en omstandigheden bekend geweest, de aanvrager van de hem tenlastegelegde feiten zouden hebben vrijgesproken.
5. Slotsom
Uit het vorenoverwogene volgt dat zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv, zodat de aanvragen gegrond zijn en als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart de aanvragen tot herziening gegrond;
beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormelde vonnissen van de
Politierechter te Haarlem van 10 februari 2005, de Rechtbank te Amsterdam van 15 maart 2002 en de Politierechter te Amsterdam van 4 oktober 2001;
verwijst de zaken naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaken op de voet van art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zullen worden behandeld en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 29 mei 2007.

