Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA2608

Datum uitspraak2007-02-23
Datum gepubliceerd2007-04-11
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
Zaaknummers03/700652-06
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van vier weken voor diefstal. De rechtbank gaat niet over tot opleggen van de ISD-maatregel, zoals door de officier van justitie gevorderd. Voor oplegging van de ISD-maatregel is onder meer vereist dat is voldaan aan de in artikel 38m, eerste lid, sub 2, van het Wetboek van Strafrecht vermelde voorwaarden dat (a) de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf is veroordeeld, (b) het feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen en (c) er voorts ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Ten aanzien van de onder (a) en (b) vermelde voorwaarden overweegt de rechtbank dat zich in het dossier een overzicht strafrestant bevindt, waarin drie onherroepelijke veroordelingen – in de relevante periode van vijf jaar voorafgaand aan het onderhavige feit – wegens een misdrijf zijn opgenomen. Voor wat betreft de veroordeling met parketnummer 03-005572/02 is de rechtbank evenwel van oordeel dat, nu aan verdachte daarbij is opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor de opvang van verslaafden, het oneigenlijk moet worden geacht deze veroordeling thans opnieuw mee te nemen bij een eventueel op te leggen ISD-maatregel. De rechtbank overweegt ook nog dat, ofschoon uit het zich eveneens in het dossier bevindende ”Uittreksel Justitiële Documentatiedienst” d.d. 25 januari 2007 is gebleken dat sprake is van een andere, voor de oplegging van de ISD-maatregel wellicht in aanmerking komende onherroepelijke veroordeling tot gevangenisstraf met parketnummer 03-500300/06, niet duidelijk is of en zo ja wanneer de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf heeft plaatsgevonden.


Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT Sector Strafrecht Parketnummer: 03/700652-06 03/ 700351-06 VTVV Datum uitspraak: 23 februari 2007 Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 februari 2007 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen [naam verdachte], geboren te [geboorteplaats en datum verdachte], wonende te [adres verdachte], thans gedetineerd in de PI Flevoland - HvB Almere Binnen te Almere. De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 14 november 2006 in de gemeente Maastricht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aantal overhemden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan C & A, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte. De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij op 14 november 2006 in de gemeente Maastricht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aantal overhemden toebehorende aan C & A. De partiële vrijspraak De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. De bewijsmiddelen De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De kwalificatie Het bewezenverklaarde levert op het strafbare feit dat moet worden gekwalificeerd als volgt: diefstal. De strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar. De redengeving van de op te leggen straf De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD) voor de duur van 2 jaar. De officier van justitie heeft daarbij de rechtbank gevraagd een toetsing in te lassen door te bevelen dat na 9 maanden een beslissing zal worden genomen met betrekking tot de wenselijkheid van de voortzetting van deze maatregel. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. De raadsman van verdachte heeft gepleit voor het voorwaardelijk opleggen van de ISD-maatregel, met als bijzondere voorwaarde intensieve reclasseringsbegeleiding. Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende. De officier van justitie heeft oplegging van de ISD-maatregel geëist. De rechtbank heeft overwogen over te gaan tot oplegging van deze maatregel. Voor oplegging van de ISD-maatregel is onder meer vereist dat is voldaan aan de in artikel 38m, eerste lid, sub 2, van het Wetboek van Strafrecht vermelde voorwaarden dat: a. de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf is veroordeeld, b. het feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen en c. er voorts ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Ten aanzien van de onder a. en b. vermelde voorwaarden overweegt de rechtbank dat zich in het dossier een overzicht strafrestant bevindt, waarin drie onherroepelijke veroordelingen – in de relevante periode van vijf jaar voorafgaand aan het onderhavige feit – wegens een misdrijf zijn opgenomen. Voor wat betreft de veroordeling met parketnummer 03-005572/02 is de rechtbank evenwel van oordeel dat, nu aan verdachte daarbij is opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor de opvang van verslaafden, het oneigenlijk moet worden geacht deze veroordeling thans opnieuw mee te nemen bij een eventueel op te leggen ISD-maatregel. De rechtbank overweegt ook nog dat, ofschoon uit het zich eveneens in het dossier bevindende ”Uittreksel Justitiële Documentatiedienst” d.d. 25 januari 2007 is gebleken dat sprake is van een andere, voor de oplegging van de ISD-maatregel wellicht in aanmerking komende onherroepelijke veroordeling tot gevangenisstraf met parketnummer 03-500300/06, niet duidelijk is of en zo ja wanneer de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf heeft plaatsgevonden. Mitsdien zal de rechtbank niet overgaan tot oplegging van de ISD-maatregel. De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met: - de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving. - de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder veelvuldig ter zake soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Ter terechtzitting is gelijktijdig behandeld de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging alsnog van 14 dagen gevangenisstraf met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, aan verdachte opgelegd bij onherroepelijk vonnis van de politierechter d.d. 4 juli 2006, gewezen onder parketnummer 03/ 700351-06. Hoewel de officier van justitie ter terechtzitting heeft geconcludeerd tot afwijzing van deze vordering, zal de rechtbank toch de vordering tot tenuitvoerlegging toewijzen. Immers, de afwijzing is door de officier van justitie enkel gevorderd in verband met de gevorderde ISD-maatregel. De vordering voldoet aan de bij de wet gestelde eisen en uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte door hetgeen thans bewezen en strafbaar is verklaard zich voor het einde van de vastgestelde proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit en aldus de algemene voorwaarde heeft overtreden. Van bijzondere omstandigheden die aan de gevorderde tenuitvoerlegging in de weg zouden staan is niet gebleken. De toepasselijke wettelijke bepalingen De op te leggen straf is gegrond op artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht. DE BESLISSINGEN: De rechtbank - verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan; - verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij; - verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is; - veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 4 weken; - beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht; - heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden; ad 03/ 700351-06 VTVV: - gelast dat de voorwaardelijke straf, te weten gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd; - beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht. Dit vonnis is aldus gewezen door mr. J.H. Klifman, voorzitter, mr. M. Senden en mr. R. Niessen, rechters, in tegenwoordigheid van J. Slangen, griffier, en bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 februari 2007, zijnde mr. R. Niessen buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.