Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA2678

Datum uitspraak2007-04-11
Datum gepubliceerd2007-04-11
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200604164/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluiten van 29 december 2005 hebben verweerders in het kader van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming de aan appellanten verleende erkenningen van kwaliteitsverklaringen inzake grond per 1 januari 2006 ingetrokken.


Uitspraak

200604164/1. Datum uitspraak: 11 april 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Grondbank Nederland B.V.", gevestigd te Utrecht, en andere, appellanten, en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerders. 1.    Procesverloop Bij besluiten van 29 december 2005 hebben verweerders in het kader van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming de aan appellanten verleende erkenningen van kwaliteitsverklaringen inzake grond per 1 januari 2006 ingetrokken. Bij besluit van 27 april 2006, verzonden op 27 april 2006, hebben verweerders de door appellanten hiertegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 6 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 6 juni 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 juli 2006. Bij brief van 6 september 2006 hebben verweerders een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 maart 2007, waar appellanten, vertegenwoordigd door [bestuursleden] van de Branche Organisatie Grondbanken, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. P.C. Cup en drs. E.P.T. Ruwiel, beiden ambtenaar van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, en mr. C. van der Zalm en drs. M.E.M. van den Wijngaart, werkzaam bij SenterNovem, zijn verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    Vooreerst dient te worden beoordeeld of appellanten procesbelang hebben bij een inhoudelijk oordeel omtrent de rechtmatigheid van de bestreden beslissing. 2.2.    Aan appellanten zijn indertijd kwaliteitsverklaringen afgegeven met toepassing van de beoordelingsrichtlijnen BRL 9308 en BRL 9330. Deze kwaliteitsverklaringen zijn door verweerders erkend. Bij besluit van 29 december 2005 hebben zij deze erkenningen per 1 januari 2006 ingetrokken. Deze intrekkingen berusten op de overweging dat de BRL 9308 en BRL 9330 en andere beoordelingsrichtlijnen voor grond niet in overeenstemming waren met bijlage 2 van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming.    In 2005 zijn de beoordelingsrichtlijnen voor grond samengevoegd tot één beoordelingsrichtlijn de BRL 9335. Ter zitting is vast komen te staan dat aan alle appellanten vóór 1 januari 2006 erkenningen van kwaliteitsverklaringen op basis van de BRL 9335 zijn verleend, zodat zij ten tijde van het instellen van beroep over een erkenning van de door hen te gebruiken kwaliteitsverklaring beschikten. Nu appellanten voorts ter zitting hebben verklaard als gevolg van de besluiten van 29 december 2005 geen schade te hebben geleden, hebben zij geen procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. 2.3.    Appellanten verzoeken de Afdeling desalniettemin uitspraak te doen over een aantal aspecten van het primaire besluit, omdat zij dat voor mogelijke toekomstige soortgelijke besluiten van belang achten. Dienaangaande overweegt de Afdeling dat volgens haar vaste jurisprudentie de bestuursrechter alleen in het kader van een geschil met betrekking tot een besluit tot het beantwoorden van rechtsvragen is geroepen. Waar een dergelijk geschil, zoals in het onderhavige geval, niet langer bestaat, kan van de bestuursrechter geen uitspraak worden gevraagd. 2.4.    Het beroep is niet-ontvankelijk. 2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat. w.g. Van Kreveld                                   w.g. Drouen Voorzitter                                        ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2007 375-529.