Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA2730

Datum uitspraak2007-04-06
Datum gepubliceerd2007-04-11
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/353 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking WAO-uitkering.


Uitspraak

05/353 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 21 december 2004, 04/679 (hierna: de aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv). Datum uitspraak: 6 april 2007 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2007. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.M. Snippe. II. OVERWEGINGEN Bij besluit van 30 juni 2004 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen het besluit van 19 maart 2004 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende de intrekking van appellantes uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 20 mei 2004. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, waarin appellante aangeduid wordt als eiseres en het Uwv als verweerder, onder meer als volgt overwogen: “In het in deze zaak van toepassing zijnde artikel 18 WAO is bepaald wat onder het begrip arbeidsongeschiktheid moet worden verstaan. Gelet daarop dient de rechtbank te beoordelen of eiseres ten gevolge van een ziekte of gebrek beperkingen ondervindt ten aanzien van arbeid, en zo ja, welke gevolgen deze beperkingen hebben voor het kunnen realiseren van haar vroegere verdienvermogen. Uitdrukkelijk zij vermeld dat bij die beoordeling alleen beperkingen in aanmerking kunnen worden genomenechtstreeks voortvloeien uit een ziekte of gebrek en die objectief medisch zijn vast te stellen. In haar rapportage van 22 januari 2004 heeft de verzekeringsarts Kommer aangegeven dat het gelet op het feit dat eiseres nog maar één werkzame nier heeft, voorstelbaar is dat eiseres een verminderde lichamelijke conditie heeft. Deze conditie is echter niet dusdanig dat zij in het geheel niets zou kunnen, zoals dat bij een eerder onderzoek het geval was. Toen was immers ook nog sprake van een levensbedreigende situatie. De verzekeringsarts heeft eiseres belastbaar met loonvormende arbeid geacht, met dien verstande dat zij geen zwaar lichamelijk werk (zwaar tillen, dragen, duwen en trekken) kan verrichten. Ook is het niet verstandig eiseres langdurig bloot te stellen aan stress c.q. hoge werkdruk. De bezwaarverzekeringsarts Egbers heeft gerapporteerd dat de hypertensie, die waarschijnlijk zijn oorzaak vindt in een vaatafwijking in de nierslagader, is geobjectiveerd, maar dat dit niet geldt voor de vermoeidheidsklachten. Ook de internist Van der Kleij rapporteerde op 23 januari 2004 dat weliswaar sprake is van een nog steeds moeizaam instelbare hypertensie, maar dat er voor de chronische vermoeidheidsklachten geen internistische verklaring valt te geven. (…) Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts gerapporteerd dat de primaire verzekeringsarts met het aannemen van beperkingen ten aanzien van zware inspanning ten dele tegemoet is gekomen aan de verminderde lichamelijke conditie, hoewel dit in principe dus niet is aan te merken als ziekte en/of gebrek.” Met de rechtbank stelt de Raad vast dat van de zijde van appellante geen medische informatie is overlegd die een aanknopingspunt zou kunnen bieden voor het oordeel dat door de verzekeringsartsen en bezwaarverzekeringsartsen appellantes beperkingen zijn onderschat. De Raad kan de rechtbank eveneens volgen in haar overwegingen met betrekking tot de grief van appellante ten aanzien van de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts waaruit op zou kunnen worden gemaakt dat er tijdens de hoorzitting, zonder dat appellante hiervan op de hoogte was, een psychiatrisch onderzoek had plaatsgevonden. De Raad merkt op dat het hier niet meer betreft dan enkele observaties door de bezwaarverzekeringsarts tijdens de hoorzitting. De weergave in zijn rapport van deze observaties onder de kop “psychiatrisch onderzoek” dekt de lading niet, omdat het hier niet gaat om een volwaardig psychiatrisch onderzoek, dat, zoals elk medisch onderzoek, in de beslotenheid van de spreekkamer dient plaats te vinden. Eén en ander neemt niet weg dat er geen reden is te twijfelen aan de door de bezwaarverzekeringsarts aan die observaties verbonden conclusie. Voor de Raad staat ten slotte ook genoegzaam vast dat appellante ten tijde hier in geding in staat was de werkzaamheden te verrichten die behoren bij de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 april 2007. (get.) J.W. Schuttel. (get.) T.R.H. van Roekel.