Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA2998

Datum uitspraak2007-04-06
Datum gepubliceerd2007-04-18
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200608225/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Daadwerkelijke uitzetting / gezondheidstoestand / 3 EVRM Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat indien een beroep wordt gedaan op artikel 64 van de Vw 2000 omdat daadwerkelijke uitzetting op handen is maar uitzetting op de voet van voormeld beleid niet achterwege blijft, het tot uitzetting bevoegde bestuursorgaan tevens dient te toetsen of die uitzetting zich verdraagt met artikel 3 van het EVRM.


Uitspraak

200608225/1. Datum uitspraak: 6 april 2007 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant 1] en [appellant 2], appellanten, tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/13598 en 06/13599 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 12 oktober 2006 in de gedingen tussen: appellanten en de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. 1. Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 22 mei 2003 heeft de korpschef van de regiopolitie Twente een aanvraag van appellanten om op de voet van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) hun uitzetting achterwege te laten, afgewezen. Bij onderscheiden besluiten van 12 februari 2004 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 januari 2005 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden, het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op het gemaakte bezwaar neemt met in achtneming van die uitspraak. Bij onderscheiden besluiten van 9 maart 2006 heeft de minister de besluiten van 22 mei 2003 voor zijn rekening genomen en het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Deze besluiten zijn aangehecht. Bij uitspraak van 12 oktober 2006, verzonden op 16 oktober 2006, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen (hierna: de rechtbank), de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 13 november 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 24 november 2006 heeft de minister een reactie ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. Hetgeen onder grief 1 is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan. 2.2. In grief 2 klagen appellanten dat de rechtbank, door te overwegen dat een beroep op artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) buiten het bereik van onderhavige procedure valt, nu de procedure niet handelt over verblijfsaanspraken, heeft miskend dat dat artikel ook kan worden ingeroepen indien tot uitzetting wordt overgegaan. Volgens appellanten heeft de rechtbank ten onrechte geen acht geslagen op hun betoog dat uitzetting naar hun land van herkomst, gelet op hun verslechterde gezondheidssituatie, in strijd is met voormeld artikel 3. 2.3. Ingevolge artikel 64 van de Vw 2000 blijft uitzetting achterwege, zolang het, gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden, niet verantwoord is om te reizen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 april 2003 in zaak no. 200301730/1, ter voorlichting van partijen aangehecht) is de toepasselijkheid van dit artikel eerst aan de orde, indien daadwerkelijke uitzetting op handen is. 2.3.1. Blijkens het op de voet van artikel 64 gevoerde beleid zoals vermeld in B8/10 van de Vreemdelingencirculaire 2000 kan de uitzettingsbelemmering van voornoemd artikel worden ingeroepen wanneer de vreemdeling zich bevindt in de situatie waarin de werking van een besluit tot afwijzing van de aanvraag of de intrekking van een verblijfsvergunning niet (langer) is opgeschort. Uitzetting blijft dan niettemin achterwege indien: - de medische adviseur aangeeft dat het vanwege de gezondheidstoestand van de vreemdeling of van één van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen; of - de stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie zal doen ontstaan; en - de medische behandeling van de betreffende medische klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst of ander land waarheen betrokkene zich kan verwijderen; en - de medische behandeling ter voorkoming van het ontstaan van deze noodsituatie naar verwachting één jaar of korter zal duren. 2.4. Ingevolge artikel 3 van het EVRM mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. 2.5. In de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) is bij herhaling (onder meer het arrest van 6 februari 2001 in zaak no. 44599/98, JV 2001/103) overwogen dat Verdragsstaten hun bevoegdheid tot uitzetting van vreemdelingen niet mogen uitoefenen indien een reëel risico bestaat dat iemand ten gevolge van de uitzetting aan een behandeling zal worden onderworpen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. 2.6. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat indien een beroep wordt gedaan op artikel 64 van de Vw 2000 omdat daadwerkelijke uitzetting op handen is maar uitzetting op de voet van voormeld beleid niet achterwege blijft, het tot uitzetting bevoegde bestuursorgaan tevens dient te toetsen of die uitzetting zich verdraagt met artikel 3 van het EVRM. 2.7. De klacht is terecht voorgedragen. Zij leidt evenwel niet tot het ermee beoogde doel. Blijkens het arrest van het EHRM van 2 mei 1997 in zaak no. 146/1996/767/96 (RV 1997, 70) en het eerder vermelde arrest van 6 februari 2001 kan uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land, waarnaar wordt uitgezet, leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM. De minister heeft zich onder verwijzing naar voornoemde arresten terecht op het standpunt gesteld dat, nu gelet op de uitgebrachte adviezen van het Bureau Medische Advisering behandeling mogelijk is in het land van herkomst, hetgeen appellanten met betrekking tot hun gezondheidssituatie hebben aangevoerd geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat hun uitzetting een schending van artikel 3 van het EVRM met zich brengt. 2.8. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd. 2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van Staat. w.g. Parkins-de Vin Voorzitter w.g. Beerse ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2007 382-534. Verzonden: Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze, mr. H.H.C. Visser, directeur Bestuursrechtspraak