Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA3150

Datum uitspraak2007-04-13
Datum gepubliceerd2007-04-18
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersBK 13/06 Reinigingsrechten
Statusgepubliceerd


Indicatie

In geschil is of de bezwaren van belanghebbende ontvankelijk zijn.


Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN Belastingkamer Kenmerk: 13/06 Uitspraakdatum: 13 april 2007 uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van X, wonende te Z (Gr), belanghebbende, tegen de uitspraak in de zaak AWB 05/1260 van de rechtbank Groningen van 30 januari 2006 in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Eemsmond de heffingsambtenaar. 1. Ontstaan en loop van het geding De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 30 april 2005, respectievelijk 6 mei 2005, aan belanghebbende aanslagen in de reinigingsrechten opgelegd over de jaren 2003 respectievelijk 2004. Nadat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen voormelde aanslagen, heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, verzonden op 22 september 2005, de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard. Ambtshalve heeft de heffingsambtenaar de aanslagen gehandhaafd. Bij uitspraak van 30 januari 2006, verzonden op 31 januari 2006, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard. Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij een beroepschrift (met bijlagen), gedagtekend 28 februari 2006, bij het hof ingekomen op 1 maart 2006. De heffingsambtenaar heeft op 9 mei 2006 een verweerschrift in hoger beroep ingediend. De eerste meervoudige kamer van het hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2007. Aldaar zijn verschenen belanghebbende en de heer A namens de heffingsambtenaar. Ter zitting heeft de heer A een machtiging overgelegd. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd. 2. Feiten Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de rechtbank in zijn uitspraak daartoe onder het kopje “2. De feiten” heeft opgenomen. 3. Het geschil en de standpunten van partijen 3.1 In geschil is of de bezwaren van belanghebbende ontvankelijk zijn. Belanghebbende is van mening dat de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. Naar het hof belanghebbende begrijpt gaat hij ervan uit dat nu de onderhavige aanslagen - naar zijn stelling - ten onrechte zijn opgelegd, er nimmer sprake kan zijn van een overschrijding van de bezwaartermijn. De heffingsambtenaar had, volgens belanghebbende, eerst grondig onderzoek moeten doen in plaats van kortweg aanslagen op te leggen. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar het bezwaar via de meest makkelijke weg heeft afgedaan. De bezwaartermijn heeft hij overschreden wegens privé-omstandigheden, hetgeen ook ter zitting van de rechtbank aan de orde is geweest. De heffingsambtenaar is van opvatting dat het hoger beroep ongegrond moet worden verklaard en dat de uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd. 3.2 Indien het hof van oordeel is dat de bezwaren wel ontvankelijk zijn, is in geschil of de onderhavige aanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Belanghebbende vindt van niet. Daartoe voert hij aan dat hij herhaaldelijk in het verleden de heffingsambtenaar telefonisch erop heeft gewezen dat aan hem ten onrechte een grote afvalcontainer van 660 liter ter beschikking is gesteld. De heffingsambtenaar heeft daarop niet gereageerd. Deze nalatigheid van de heffingsambtenaar kan, naar de stelling van belanghebbende, niet door middel van de onderhavige aanslagen aan hem in rekening worden gebracht. De heffingsambtenaar geeft aan dat belanghebbende voor het ontdoen van de van hem afkomstige afvalstoffen in de jaren 2003 en 2004 gebruikt heeft gemaakt van een container van 660 liter. Deze container is ook daadwerkelijk altijd door de gemeente geleegd. Abusievelijk heeft de registratie van de container met 660 liter inhoud niet plaatsgevonden. In 2005 is dit verzuim geconstateerd. Vervolgens zijn aan belanghebbende de onderwerpelijke aanslagen opgelegd. De heffingsambtenaar blijft bij zijn standpunt dat de onderhavige aanslagen terecht zijn opgelegd. 4. De overwegingen omtrent het geschil 4.1 De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Naar het oordeel van het hof is de beslissing van de rechtbank een juiste beslissing, waarbij het hof de rechtsgronden van de rechtbank overneemt met dien verstande dat de laatste dag van de bezwaartermijn van de aanslag met dagtekening 30 april 2005 op grond van artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet vastgesteld moet worden op 13 juni 2005. In aanvulling daarop overweegt het hof dat het standpunt van belanghebbende dat door de door hem gestelde onjuistheid van de onderhavige aanslagen nimmer een bezwaartermijn kan worden overschreden geen steun vindt in het recht. 4.2 Nu ook overigens niet is gebleken van omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar doen zijn, is de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 5. Proceskosten Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 6. De beslissing Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Aldus vastgesteld op 13 april 2007 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. G.M. van der Meer, raadsheer, mr. H. Bakker, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde griffier. Op 18 april 2007 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.