Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA3362

Datum uitspraak2007-04-05
Datum gepubliceerd2007-04-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 06/414 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Geding tussen eiser en de gemeente over de ingetrokken uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand. Eiser heeft een beroepschrift bij de rechtbank ingediend zo'n negen maanden nadat de termijn voor het beslissen op het bezwaar was verstreken. De rechtbank verklaart het beroep gericht tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar derhalve niet-ontvankelijk, omdat het onredelijk laat is ingesteld.


Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage sector bestuursrecht eerste afdeling, enkelvoudige kamer Reg. nr. AWB 06/414 WWB UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Uitspraak in het geding tussen [eiser], wonende te [gemeente A], eiser, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, verweerder. Ontstaan en loop van het geding Bij besluit van 19 januari 2005 heeft verweerder eisers recht op bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) met ingang van 1 november 2004 beëindigd (lees: ingetrokken). Bij brieven van 7 januari 2005 en van 10 februari 2005 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt. Bij brief van 11 januari 2006 heeft eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar beroep ingediend. Het beroep is op 30 maart 2007 ter zitting behandeld. Daarbij is eiser verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. D.S.C. Hes, advocaat te Den Haag. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen. Motivering Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb in samenhang met artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan beroep worden ingesteld tegen (een met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van) een besluit. Eiser heeft bij brief van 11 januari 2006 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op zijn bezwaar van 7 januari 2005 en 10 februari 2005. Daargelaten de vraag of verweerder moet worden gevolgd in zijn standpunt dat eisers brieven niet als bezwaarschriften kunnen worden aangemerkt, stelt de rechtbank vast dat het beroepschrift bij de rechtbank is ingekomen zo'n negen maanden nadat de termijn voor het beslissen op het bezwaar was verstreken. Ingevolge artikel 6:12, derde lid, van de Awb wordt een beroep als het onderhavige niet-ontvankelijk verklaard indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. Een termijn van zo'n vijf á zes maanden wordt volgens vaste de jurisprudentie nog als redelijk gezien. De termijn waarbinnen op het bezwaar moest zijn beslist was gelet op artikel 7:10, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 7:13 van de Awb, in ieder geval tien weken na de brief van 10 februari 2005 verstreken. Op dat moment nam de termijn een aanvang, die voor de beoordeling of een beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar onredelijk laat is ingesteld, volgens de jurisprudentie van belang is. Niet van belang in dit verband is derhalve dat eisers gemachtigde pas na verweerders besluit van 18 november 2005 onomstotelijk wist dat zij niet langer een beslissing op bezwaar in de onderhavige zaak kon verwachten. De rechtbank zal het beroep gericht tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar derhalve niet-ontvankelijk verklaren, omdat het onredelijk laat is ingesteld. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Beslissing De Rechtbank 's-Gravenhage, RECHT DOENDE: verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Aldus gegeven door mr. A. Stehouwer in het openbaar uitgesproken op 5 april 2007, in tegenwoordigheid van de griffier mr. W. Goederee.