
Jurisprudentie
BA3402
Datum uitspraak2007-04-18
Datum gepubliceerd2007-04-20
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/5879 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-04-20
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/5879 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Niet-ontvankelijk verklaring. Volledige tegemoetkoming door het Uwv. Geen procesbelang.
Uitspraak
06/5879 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 30 augustus 2006, 06/573 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. Ph.J.N. Aarnoudse, advocaat te Deventer, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Bij brief van 28 november 2006 heeft het Uwv de Raad meegedeeld dat het ingenomen standpunt is gewijzigd en dat een gewijzigde beslissing op bezwaar is afgegeven. In deze nieuwe beslissing wordt het bezwaar van appellant alsnog gegrond verklaard en wordt appellant met ingang van 19 januari 2006 (lees: 16 november 2005) onveranderd 80 tot 100% arbeidsongeschikt beschouwd.
Namens appellant heeft mr. Ph.J.N. Aarnoudse bij faxbericht van 29 januari 2007 de Raad bericht dat appellant zich kan verenigen met de gewijzigde beslissing op bezwaar en heeft hij de Raad verzocht het Uwv in de proceskosten te veroordelen.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens het faxbericht van 29 januari 2007 van de gemachtigde van appellant heeft appellant geen belang meer bij een beoordeling van het hoger beroep, zodat dit niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
Met betrekking tot de door appellant gevorderde vergoeding van de eigen bijdrage uit hoofde van de verleende toevoegingen overweegt de Raad dat in een bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht een limitatieve opsomming is gegeven van proceshandelingen waarvoor een forfaitaire vergoeding kan worden gegeven en dat in vergoeding van de in verband met een afgegeven toevoeging te betalen bijdrage daarbij niet is voorzien.
Met betrekking tot de door appellant gevorderde vergoeding van kosten die hij in de bezwaarfase heeft gemaakt is de Raad van oordeel dat deze, nu daarom niet is verzocht in de bezwaarfase, niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Nu het Uwv volledig aan appellant is tegemoetgekomen, ziet de Raad aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 7,52 voor reiskosten in eerste aanleg, in totaal
€ 973,52.
Voorts merkt de Raad nog op dat uit het bepaalde in artikel 22, vijfde lid, van de Beroepswet volgt dat appellant zich met een verzoek om vergoeding van het betaalde griffierecht rechtstreeks tot het Uwv dient te wenden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellant tot een bedrag van € 973,52, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen waarvan € 966,- aan de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 april 2007.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen.

