bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA3448

Datum uitspraak2007-04-05
Datum gepubliceerd2007-04-20
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Roermond
Zaaknummers187308 \ CV EXPL 07-761
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton


Indicatie

Werknemer van een gefailleerd bedrijf treedt voor bepaalde tijd in dienst bij een nieuwe werkgever die een bedrijfsonderdeel uit de failliete boedel heeft overgenomen. Het dienstverband voor bepaalde tijd eindigt van rechtswege na het verstrijken van de bepaalde tijd. Artikel 7:667 BW leden 4 en 5 zijn van toepassing.


Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND SECTOR KANTON, LOCATIE ROERMOND Zaaknr.: 187308 CV EXPL 07-761 Uitspraak d.d.: 5 april 2007 VONNIS IN KORT GEDING van de kantonrechter te Roermond in de zaak van: [eiser], wonende te [adres], eiser, gemachtigde: mr. A. Müller, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VACON PEELLAND B.V., gevestigd te 6114 BR Susteren aan de Handelsweg 40 a, gedaagde, gemachtigde: mw. mr. M.J.A.P.M. Franssen. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE: Na daartoe verkregen verlof van de kantonrechter heeft eiser gedaagde in kort geding doen dagvaarden, op gronden en met de vorderingen als in de dagvaarding omschreven, tegen de zitting van 22 maart 2007 om 12.00 uur. Gedaagde heeft ter zitting onder overlegging van pleitaantekeningen mondeling verweer gevoerd. Nadat partijen over en weer hun standpunten nog mondeling hebben toegelicht heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag het vonnis zal worden uitgesproken. DE STELLINGEN EN VORDERINGEN VAN EISER: Eiser is in de periode van 13 november 1972 tot 30 april 2002 bij Cehave Landbouwbelang in dienst geweest op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op 1 mei 2002 is Cehave Landbouwbelang overgenomen door ABI Techniek waardoor het dienstverband van eiser van rechtswege is overgaan op ABI Techniek. ABI Techniek is bij uitspraak van de rechtbank van 27 juli 2005 failliet verklaard. Gedaagde heeft een aantal bedrijfsonderdelen van het gefailleerde ABI Techniek overgenomen uit de faillissementsboedel. Gedaagde heeft aan eiser met ingang van 12 september 2005 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangeboden, en wel tot 1 januari 2007. Op 15 december 2006 heeft gedaagde mondeling aan eiser te kennen gegeven dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd, welke mededeling op 27 december 2007 schriftelijk is bevestigd. Eiser is van mening dat de Hoge Raad in het Boekenvoordeel tegen Isik arrest (HR 14 juli 2006) heeft bevestigd dat artikel 7:668a BW niet wordt doorbroken door een faillissement. Op grond van het bepaalde in artikel 7:668a lid 1 sub a BW is de arbeidsovereenkomst tussen partijen van rechtswege omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Bij brief van 19 januari 2007 heeft de gemachtigde van eiser dan ook de nietigheid van de opzegging/beëindiging ingeroepen omdat geen toestemming van het CWI is verkregen. Naast salarisdoorbetaling is ook wedertewerkstelling van eiser verlangd. Gedaagde is daartoe niet overgegaan en heeft evenmin na 1 januari 2007 het salaris ter hoogte van € 3.033,54 bruto per maand voldaan. Vanwege de weigerachtige houding van gedaagde heeft eiser zijn vordering uit handen moeten geven. De hiermee gemoeide kosten, gesteld op € 270,00, dienen op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c door gedaagde te worden vergoed. Eiser vordert bij wege van voorlopige voorziening bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: 1. Gedaagde te veroordelen tot wedertewerkstelling van eiser in de overeengekomen functie; 1. Te bepalen dat gedaagde de veroordeling onder 1. nakomt binnen een termijn van 3 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag of dagdeel met een maximum van € 25.000,00 dat gedaagde met de nakoming van deze veroordeling in gebreke blijft; 3. Gedaagde te veroordelen om aan eiser te betalen tegen bewijs van kwijting en onder verstrekking van een deugdelijke specificatie het overeengekomen loon vanaf 1 januari 2007 tot aan de dag dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig eindigt, een en ander vermeerderd met de wettelijke verhoging in de zin van artikel 7:625 BW en de wettelijke rente van artikel 6:83 aanhef en sub a BW juncto 6:119 BW vanaf de dag, respectieve data dat het verzuim is ingetreden, tot aan de dag der algehele voldoening; 4. Gedaagde te veroordelen om aan eiser te voldoen de kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand ter hoogte van € 270,00 conform het toepasselijke liquidatietarief, althans ter hoogte van een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; 5. Kosten rechtens. HET VERWEER VAN GEDAAGDE: De curator in het faillissement van ABI Techniek heeft de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met onder andere eiser rechtsgeldig opgezegd, waardoor diens dienstverband met ABI Techniek met ingang van 1 september 2005 rechtsgeldig is geëindigd. Daarna heeft gedaagde, die een bedrijfsonderdeel van het failliete ABI Techniek heeft overgenomen, aan eiser een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangeboden, te weten tot 1 januari 2007. Gedaagde is van mening dat artikel 7:668a BW in de onderhavige situatie niet van toepassing is. Op grond van de literatuur en de memorie van toelichting dient eerst artikel 7:667 BW te worden toegepast en pas daarna artikel 7:668a BW Gedaagde deelt de conclusie niet die eiser trekt uit het arrest Boekenvoordeel tegen Isik. De feitelijke situatie in het arrest verschilt met die van de onderhavige zaak aangezien de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van eiser volgt op een rechtsgeldig opgezegde arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De vorderingen van eiser dienen dan ook te worden afgewezen. HET OORDEEL VAN DE KANTONRECHTER IN KORT GEDING: De kantonrechter stelt op grond van hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard vast dat geen verschil van mening bestaat over het dienstverband dat eiser heeft gehad bij Cehave Landbouwbelang en ABI Techniek. Verder zijn partijen het erover eens dat de curator van het gefailleerde ABI Techniek de arbeidsovereenkomst met eiser heeft opgezegd tegen 1 september 2005. Tussen partijen is een schriftelijke arbeidsovereenkomst gesloten, ingaande 12 september 2005 en lopende tot 1 januari 2007. Dat gedaagde heeft te gelden als opvolgend werkgever in de zin van artikel 7:667 lid 5 en 7:668a lid 2 staat, mede gelet op het arrest Boekenvoordeel/Isik (HR 14 juli 2006, JAR 2006/190) buiten de discussie, evenals het gegeven dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd door de curator op rechtsgeldige wijze is opgezegd. In beginsel is dan ook voldaan aan de in artikel 7:667 lid 4 en 5 neergelegde criteria op grond waarvan de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij het verstrijken van de duur van rechtswege eindigt. Hetgeen partijen verdeeld houdt is de vraag of en in hoeverre de in artikel 7:668a lid 1 genoemde periode van 36 maanden, en de duur van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen eiser en ABI Techniek BV een rol spelen bij de vaststelling of de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd per 1 januari 2007 al dan niet van rechtswege is geëindigd. De kantonrechter overweegt daarover het volgende. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat tijdens de parlementaire behandeling van de Wet flexibiliteit en zekerheid (waarvan artikel 7:668a BW deel uitmaakt) door de minister is toegezegd dat nog enkele reparaties en wijzigingen in de wetgeving zouden worden uitgevoerd. Onderdeel van deze wijzigingen is de codificatie van de zogenaamde Ragetlie-regel zoals die thans is neergelegd in artikel 7:667 leden 4 en 5 BW. In vorenbedoeld lid 4 is bepaald dat in het geval van een door rechtsgeldige opzegging geëindigde arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, binnen drie maanden gevolgd door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, deze laatste overeenkomst na het verstrijken van de overeengekomen duur van rechtswege eindigt. Deze termijn van drie maanden is rechtstreeks overgenomen uit artikel 7:668a lid 1 BW. De in artikel 7:668a lid 1 onder a BW genoemde periode van 36 maanden is daarentegen niet overgenomen in artikel 7:667 lid 4 BW. In de memorie van toelichting (26257 nr 3 pagina’s 1 en 2) is het volgende gesteld: Het zou naar het oordeel van de NVvR het meest voor de hand liggen, dat in artikel 668a wordt vastgelegd dat contracten voor onbepaalde tijd worden meegeteld in de keten van contracten, zoals in dat wetsartikel omschreven. Deze suggestie hebben wij niet overgenomen om de volgende redenen. (….) Voorts vormt dit voorstel naar onze mening een te vergaande inbreuk op de flexibiliseringsgedachte , zoals uitgewerkt in artikel 668a lid 1. Immers, het meetellen van een voorafgaand contract voor onbepaalde tijd in het kader van genoemd artikel leidt ertoe, dat eerder dan thans het geval is, aan de criteria van dit artikel wordt voldaan en er sprake is van conversie in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dit zou de mogelijkheid van opvolgend gebruik van contracten voor bepaalde tijd te zeer beperken. De kantonrechter is van oordeel dat een redelijke uitleg van de parlementaire geschiedenis dient te leiden tot de conclusie dat de 36 maanden termijn bewust uit (het ná artikel 7:668a in werking getreden) artikel 7:667 lid 4 is gelaten en het ook niet de bedoeling is de duur van de overeenkomst voor onbepaalde tijd mee te tellen in die 36 maanden termijn zoals genoemd in artikel 7:668a lid 1. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is de overeenkomst voor bepaalde tijd tussen partijen door het verstrijken van de duur per 1 januari 2007 dan ook van rechtswege geëindigd. De vorderingen van eiser zijn dan ook niet toewijsbaar. Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. BESLISSING IN KORT GEDING: Wijst de vorderingen af. Veroordeelt eiser in de kosten van de procedure aan de zijde van gedaagde gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 500,00 als salaris voor de gemachtigde van gedaagde. Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.F. van Dooren, kantonrechter, en ter openbare civiele terechtzitting op 5 april 2007 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.