Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA3490

Datum uitspraak2007-04-17
Datum gepubliceerd2007-04-23
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/361 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering bijzondere bijstand voor reiskosten naar advocaat, kosten voor het verkrijgen van medische verklaringen en eigen bijdrage rechtsbijstand.


Uitspraak

06/361 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 december 2005, 05/3212 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede (hierna: College) Datum uitspraak: 17 april 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft R. Versteeg, werkzaam bij Vluchtelingenwerk Midden Gelderland, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2007. Versteeg is namens appellant verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Klok, werkzaam bij de gemeente Ede. II. OVERWEGINGEN De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Appellant ontving sedert 1 augustus 2003 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande en een toeslag van 10%. Op 14 en 17 december 2004 heeft appellant bijzondere bijstand verzocht in verband met a) reiskosten voor bezoek aan zijn advocaat te Helmond (€ 49,90); b) kosten voor het verkrijgen van medische verklaringen (€ 83,60); c) de eigen bijdrage van de kosten van rechtsbijstand (€ 89,--). Bij besluit van 21 december 2004 heeft het College de aanvragen met betrekking tot de onder a) en b) genoemde kosten afgewezen op de grond dat deze kosten uit de algemene bijstandsnorm moeten kunnen worden voldaan. Bij besluit van 21 januari 2005 heeft het College de aanvraag met betrekking tot de onder c) genoemde kosten afgewezen. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 15 juli 2005 heeft het College het tegen het besluit van 21 december 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 15 juli 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van appellant geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat de desbetreffende kosten niet in redelijkheid door hem uit zijn eigen inkomen op bijstandsniveau kunnen worden voldaan. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WWB bestaat, voor zover hier van belang, recht op bijzondere bijstand indien bijzondere omstandigheden leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan, die naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet uit het inkomen voor zover dat meer bedraagt dan de bijstandsnorm, kunnen worden voldaan. De Raad overweegt allereerst dat de onder a) en b) genoemde kosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van bestaan, die de betrokkene in beginsel uit een inkomen op bijstandniveau dient te voldoen. Met betrekking tot deze kosten (totaal € 133,50) overweegt de Raad dat niet is gebleken dat betrokkene ten tijde hier van belang in zodanige bijzondere omstandigheden verkeerde dat hij niet in staat is geweest uit de algemene bijstand voor deze kosten te reserveren dan wel door middel van het afsluiten van een lening daarin te voorzien. Dit wordt niet anders door het gegeven dat appellant de onder c) genoemde kosten zelf heeft betaald. Het ter zitting van de rechtbank aangevoerde argument dat appellant vanaf december 2003 maandelijks een bedrag van € 42,29 heeft afgelost wegens verstrekte leenbijstand voor inrichtingskosten brengt de Raad evenmin tot een ander oordeel. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting acht de Raad het aannemelijk dat sedert de toekenning van de algemene bijstand voor appellant nog voldoende reserveringsruimte heeft bestaan om ook de onder a) en b) bedoelde kosten uit de algemene bijstand te kunnen voldoen. Het beroep op artikel 10 van de Beleidsregel van het College inzake de verstrekking van bijzondere bijstand en leenbijstand 2005 ziet er ten slotte aan voorbij dat de hier aan de orde zijnde kosten geen kosten zijn als in deze bepaling omschreven. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat de aanvraag van betrokkene om bijzondere bijstand voor de onder a) en b) genoemde kosten terecht is afgewezen. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en C. van Viegen en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 april 2007. (get.) G.A.J. van den Hurk. (get.) P.E. Broekman. BKH 120407