Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA3577

Datum uitspraak2007-04-24
Datum gepubliceerd2007-04-24
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
ZaaknummersTBS 2007\045
Statusgepubliceerd


Indicatie

Betrokkene is in Nederland tot ongewenst vreemdeling verklaard. De kliniek heeft zich derhalve ingespannen om een terugkeerregeling voor betrokkene naar Turkije te realiseren. Het hof is van oordeel dat in casu thans niet is voldaan aan de voorwaarden voor een met voldoende waarborgen omgeven resocialisatie in Turkije. Ten eerste bestaat er onduidelijkheid over het behandeltraject van betrokkene en het huidige recidivegevaar. Ten tweede is het van belang verder te laten onderzoeken of er in Turkije een passende voorziening, met eventuele opvang- en verpleegmogelijkheden, voor betrokkene in het leven kan worden geroepen. Voor het slagen van een terugkeerregeling dient er sprake te zijn van een degelijke overdracht van de hulpverlening en dient de terugkeer met voldoende waarborgen te zijn omgeven.


Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM TBS 2007% Tussenbeslissing d.d. 24 juli 2007 De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van [terbeschikkinggestelde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], verblijvende in [verblijfplaats]. Overwegingen: Betrokkene is in Nederland tot ongewenst vreemdeling verklaard. Gelet op die status wordt in de praktijk van de tenuitvoerlegging van de maatregel door de Minister van Justitie geen machtiging tot het verlenen van enige vorm van verlof verleend. De kliniek heeft zich derhalve ingespannen om een terugkeerregeling voor betrokkene naar Turkije te realiseren, zodat betrokkene aldaar zal kunnen resocialiseren. Betrokkene weigert echter mee te werken aan de WOTS-procedure. Eveneens heeft betrokkene geen toestemming gegeven voor het opnemen van contact met zijn familie in Nederland en Turkije. Het hof is van oordeel dat in casu thans niet is voldaan aan de voorwaarden voor een met voldoende waarborgen omgeven resocialisatie in Turkije. In een aantal opzichten is er onvoldoende informatie beschikbaar. Ten eerste bestaat er onduidelijkheid over het behandeltraject van betrokkene en het huidige recidivegevaar. De omstandigheid dat door de verblijfstatus van betrokkene geen toetsing van de behandeling mogelijk is, neemt niet weg dat er thans nog sprake kan zijn van recidivegevaar, mede gelet op het verleden van betrokkene. Weliswaar wordt in het advies gesteld dat er geen bevestiging kon worden gevonden voor de diagnose, maar het hof acht het – mede gelet op de beperkte onderbouwing van het advies op dat punt, de omstandigheid dat de ernstige delicten gepleegd zijn in 2000, de omstandigheid dat de behandeling slechts enkele jaren heeft geduurd, een en ander tegen de achtergrond van de eerder gestelde diagnose – noodzakelijk dat omtrent de diagnose en het recidivegevaar nadere rapportage zal worden uitgebracht. Er dient derhalve duidelijkheid te worden verkregen omtrent de problematiek van betrokkene, de behandeling van betrokkene tot nu toe en de eventuele behandelinterventies die nog plaats dienen te vinden. Eveneens dient het -al dan niet aanwezige- recidivegevaar voldoende te worden onderbouwd. Dit kan met name van belang zijn voor de eventuele vervolgvoorziening voor betrokkene in Turkije. Ten tweede is het van belang verder te laten onderzoeken of er in Turkije een passende voorziening, met eventuele opvang- en verpleegmogelijkheden, voor betrokkene in het leven kan worden geroepen. Voor het slagen van een terugkeerregeling dient er in het algemeen sprake te zijn van een degelijke overdracht van de hulpverlening en dient de terugkeer met voldoende waarborgen te zijn omgeven. Het hof is ambtshalve bekend met andere zaken waarin, ook in dit opzicht, een passende voorziening tot stand is gekomen. Het hof acht zich derhalve onvoldoende voorgelicht en zal de behandeling van de zaak dientengevolge heropenen. Tussenbeslissing: Het hof: verzoekt de advocaat-generaal een multidisciplinaire rapportage op te laten maken, met daarin de behandelevaluatie vanaf het tijdstip van de door het Pieter Baan Centrum gestelde diagnose en met betrekking tot het huidige delictgevaar. Het hof verzoekt de advocaat-generaal deze rapportage bij voorkeur op te laten maken door psychiater Van der Veer en psycholoog Van Woudenberg, dan wel door een andere, aan het Nederlands Instituut van Forensische Psychiatrie verbonden, onafhankelijke psychiater en psycholoog; verzoekt de heer P. de Jong, maatschappelijk werker, verbonden aan het Forensisch Psychiatrisch Centrum “Veldzicht”, een rapportage op te maken omtrent de mogelijkheden voor een passende voorziening voor betrokkene in Turkije, met mogelijkheden voor opvang en verdere verpleging, waarbij zoveel mogelijk rekening dient te worden gehouden met de uitkomst van het hiervoor gevraagde multidisciplinair onderzoek; stelt daartoe de stukken in handen van de advocaat-generaal; heropent de behandeling van de zaak om vermelde redenen en schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd; Beveelt voorts de oproeping van de terbeschikkinggestelde tegen het nog nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving hiervan aan de raadsman. Aldus gedaan door mr Van der Herberg als voorzitter, mrs Stikkelbroeck en Lensing als raadsheren, en drs Boon en dr Van Kordelaar als raden, in tegenwoordigheid van mr Jansen als griffier, en op 24 april 2007 in het openbaar uitgesproken. De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.