
Jurisprudentie
BA3656
Datum uitspraak2007-03-15
Datum gepubliceerd2007-04-24
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 06/3851 + 06/4300
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-04-24
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 06/3851 + 06/4300
Statusgepubliceerd
Indicatie
Met de gehanteerde afstand en zichtcriterium heeft verweerder een te ruimhartig en te algemeen geformuleerd uitgangspunt gehanteerd nu het merendeel van de eisers geen zicht heeft op het perceel en overigens niet aannemelijk is gemaakt in welke mate deze eisers zich onderscheiden wat betreft getroffen belang ten opzichte van anderen. Gelet op het aantal bezwaarmakers en dat met zekerheid kan worden geconcludeerd dat een aantal eisers vanwege de ligging van hun woning ten opzichte van het bouwplan kunnen worden aangemerkt als belanghebbende en terecht in hun bezwaar is ontvangen, laat de rechtbank in het midden welke eisers ten onrechte in hun bezwaar zijn ontvangen. Er is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grond om te oordelen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven wegens schending van artikel 7:9 van de Awb. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige bouwvergunning op goede gronden is verleend. Nu in het onderhavige zaak geen sprake is van een situatie waarin bij het bestreden besluit het primaire besluit is herroepen, heeft verweerder bij het bestreden besluit geen aanleiding hoeven zien de proceskosten die eisers in verband met de behandeling van hun bezwaar hebben moeten maken te vergoeden. Met betrekking tot de vraag of verweerder ten behoeve van voornoemd bouwplan op goede gronden de gevraagde kapvergunning heeft verleend, heeft verweerder op goede gronden geoordeeld dat de bomen niet als beschermwaardig kunnen worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, onder verwijzing naar de toelichting bij artikel 5 van de Bomenverordening, in redelijkheid kunnen besluiten de kapvergunning te verlenen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft kunnen volstaan met de opgelegde kwalitatieve herplantplicht.
Uitspraak
RECHTBANK UTRECHT
Sector bestuursrecht
zaaknummers: SBR 06/3851 en 06/4300
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 maart 2007
inzake
[eisers] ,
wonende te Zeist,
eisers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist,
verweerder.
Inleiding
1.1 Het beroep geregistreerd onder nummer SBR 06/4300 heeft betrekking op het besluit van verweerder van 31 oktober 2006 (het bestreden besluit I), waarbij de bezwaren van eisers tegen het besluit van 2 februari 2006 gedeeltelijk niet-ontvankelijk zijn verklaard, gedeeltelijk gegrond zijn verklaard en voor het overige ongegrond zijn verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder aan Zeisterwoude beheerstichting een bouwvergunning verleend voor het geheel oprichten van een woon-zorgcentrum 'De Looborch' op het perceel kadastraal bekend gemeente Zeist, sectie L, nummers 570, 571, 572, 573, 1100, plaatselijk bekend Woudenbergseweg 42, te Zeist (hierna: het perceel).
1.2 Het beroep geregistreerd onder nummer SBR 06/3851 heeft betrekking op het besluit van verweerder van 31 oktober 2006 (het bestreden besluit II), waarbij de bezwaren van eisers tegen het besluit van 7 maart 2006 gedeeltelijk niet-ontvankelijk zijn verklaard, gedeeltelijk gegrond zijn verklaard en voor het overige ongegrond zijn verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder een vergunning verleend tot het (doen) vellen van een bosvlak met circa 16 bomen met diameters van 15 tot 75 cm op het perceel.
1.3 Het verzoek is op 15 februari 2007 ter zitting behandeld, waar namens eisers is verschenen [eiser], bijgestaan door mr. A. Menhart, werkzaam bij bestuursrechtelijk adviesburo Menhart. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J. Kolff, W. Cok, C.G.W. Hecking en A.P. Zijlstra, allen werkzaam bij de gemeente Zeist. Namens de Zeisterwoude beheerstichting zijn ter zitting verschenen mr. J.J. Bijkerk en mr. W. van Galen, beiden advocaat te Utrecht, en [vergunninghouder 1]. Tevens zijn verschenen [vergunninghouder 2], ir. B. van de Moosdijk, werkzaam bij Jorissen Simonetti Architecten en J.M. Reitsma, werkzaam bij bureau Waardenburg.
Overwegingen
De ontvankelijkheid
2.1 Met betrekking tot de ontvankelijkheid van eisers overweegt de rechtbank dat ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) om belanghebbende te zijn bij een besluit tot verlening van een kap- of bouwvergunning, diegene een belang dient te hebben dat hem persoonlijk aangaat en dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen. In de regel kan slechts als belanghebbende worden aangemerkt degene die op een beperkte afstand woont van het perceel of vanuit zijn woning daarop (direct) zicht heeft.
2.2 Wat betreft de bezwaarmakers wonende op de [adres] te Zeist heeft verweerder gesteld dat zij op een afstand van meer dan 300 meter van het perceel wonen en derhalve niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kunnen worden aangemerkt. De rechtbank acht dze conclusie juist.
Verweerder heeft de bezwaarmakers die vanuit hun woning zicht hebben op het bouwplan of op een afstand van minder dan driehonderd meter daarvan verwijderd wonen ontvankelijk verklaard in hun bezwaar. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op jurisprudentie van de AbRS op dit punt, verweerder met het hanteren van de gehanteerde afstand en zichtcriterium een te ruimhartig en te algemeen geformuleerd uitgangspunt heeft gehanteerd nu het merendeel van de eisers geen zicht heeft op het perceel en overigens niet aannemelijk is gemaakt in welke mate deze eisers zich onderscheiden wat betreft getroffen belang ten opzichte van anderen. Gelet evenwel op het aantal van de bezwaarmakers en in aanmerking genomen dat met zekerheid kan worden geconcludeerd dat een aantal eisers vanwege de ligging van hun woning ten opzichte van het bouwplan kunnen worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en terecht in hun bezwaar is ontvangen, laat de rechtbank in het midden welke eisers ten onrechte in hun bezwaar zijn ontvangen.
De bouwvergunning (het bestreden besluit I)
2.3 Eisers hebben allereerst aangevoerd dat zij op grond van artikel 7:9 van de Awb in de gelegenheid hadden moeten worden gesteld nader te worden gehoord over de aangepaste tekening van 11 oktober 2006 voor wat betreft het parkeren op maaiveld niveau en het welstandsadvies van 19 oktober 2006. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.
2.4 Artikel 7:9 van de Awb bepaalt dat wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden wordt medegedeeld en zij in de gelegenheid worden gesteld daarover te worden gehoord. De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie in beginsel geen schending van artikel 7:9 van de Awb aanwezig wordt geacht wanneer sprake is van een na het horen uitgebracht advies dat enkel een bevestiging vormt van een reeds eerder ingenomen standpunt of uitgebracht advies.
2.5 Verweerder heeft zich met verwijzing naar een uitspraak van de AbRS van 13 april 1995 op het standpunt gesteld dat het mogelijk is gedurende de bezwaarprocedure een bouwplan aan te vullen als er maar niet een zodanige wijziging optreedt dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken en gesteld dat er geen sprake is van schending van artikel 7:9 van de Awb. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.4, is de rechtbank van oordeel dat de door verweerder aangehaalde jurisprudentie niet van toepassing is op de vraag of sprake is van schending van artikel 7:9 van de Awb. De rechtbank heeft evenwel geconstateerd dat de tekening van 11 oktober 2006 voor wat betreft het parkeren op maaiveld niveau een nadere onderbouwing betreft van het standpunt dat wordt voldaan aan de voorwaarde dat ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's op het perceel in voldoende mate ruimte is aangebracht. Het bouwplan op zich is niet gewijzigd, doch in de tekening is uitgegaan van een andere maatvoering van de parkeerplaatsen, waarmee aan de bezwaren van eisers wordt tegemoetgekomen en er geen parkeerplaatsen meer zijn gesitueerd op het Laantje zonder Eind. Het nadere welstandsadvies van 19 oktober 2006, opgesteld in reactie op het door eisers ingebrachte advies van 7 maart 2006 van de Stichting Dorp, Stad en Land, betreft een bevestiging van het eerder door de welstandcommissie ingenomen standpunt. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de onderhavige casus in zoverre verschilt van de in de uitspraak van 26 april 2006 van de AbRS, 200506943/1 aan de orde zijnde zaak en dat er onvoldoende grond is om te oordelen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven wegens schending van artikel 7:9 van de Awb.
2.6 Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet (Ww), mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien:
a. het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 2 en 120;
b. het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening, of zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, aan de voorschriften die zijn gegeven bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, of bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120;
c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;
d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend, of
e. voor het bouwen een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend.
Het onderhavige perceel heeft ingevolge het geldende bestemmingsplan "De Schil" de bestemming "maatschappelijke doeleinden".
Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor maatschappelijk doeleinden aangewezen gronden bestemd voor:
1. openbare-, sociale-, culturele-, religieuze-, medische-, zorg- en onderwijsdoeleinden, met daaraan ondergeschikte sportdoeleinden en de daarbij behorende bebouwing en voorzieningen.
Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de planvoorschriften mag op de voor maatschappelijke doeleinden aangewezen gronden uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de aanduidingen op de plankaart en de volgende bepalingen:
1. Gebouwen:
Situering
a) gebouwen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan (behoudens vrijstelling);
b) het bouwvlak mag volledig worden bebouwd, tenzij krachtens de plankaart een maximum -bebouwingspercentage is voorgeschreven.
Maatvoering
c) de goothoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan het op de plankaart aangeduide aantal meters (behoudens vrijstelling), met dien verstande dat voor situaties waarin een plat dak is gewenst, de maximale bouwhoogte op de plankaart is vermeld,
d) de nokhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan de toegestane goothoogte, vermeerderd met 4,50 meter;
e) de dakhelling mag niet meer dan 60º bedragen;
f) de diepte van gebouwen (ondergronds) mag niet meer dan 5 meter bedragen;
g) dienstwoningen zijn niet toegestaan (behoudens vrijstelling), met uitzondering van de dienstwoningen die ten tijde van de terinzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan reeds aanwezig waren;
2. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
De hoogte van de bouwwerken geen gebouwen zijnde mag niet meer dan 2.00 meter bedragen (behoudens vrijstelling).
B. Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van het gestelde in de algemene beschrijving in hoofdlijnen in artikel 4, nadere eisen stellen aan de situering en de omvang van de bebouwing ten behoeve van:
1. Het straat- en bebouwingsbeeld;
2. Het woon- en leefklimaat;
3. De verkeersveiligheid.
Artikel 2.5.30 van de bouwverordening bepaalt het volgende:
1. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.
2. De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:
a. indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;
b. indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.
3. Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
4. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en het derde lid:
a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.
2.7 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met het vigerende bestemmingsplan en zich geen van de overige weigeringsgronden van artikel 44 van de Ww voordoen, zodat hij, gelet op het limitatieve en imperatieve karakter van artikel 44 van de Ww, gehouden was de bouwvergunning te verlenen.
2.8 Met betrekking tot de vraag of het bouwplan in strijd is met een bestemmingsplan, overweegt de rechtbank als volgt.
2.9 Eisers zijn van mening dat verweerder de bestemming maatschappelijk doeleinden te ruim interpreteert en dat het bouwplan niet binnen de bestemming past nu op de plankaart geen nadere aanduiding "(w) wonen" staat. Volgens eisers zijn er tot dusverre ten onrechte geen garanties gegeven dat het beoogd gebruik van het bouwwerk is gericht op zorgbehoevenden.
De rechtbank overweegt dat op het aanvraagformulier is aangegeven dat het bouwplan voorziet in het oprichten van een woonzorgcentrum dat plaats biedt aan 24 verpleegplaatsen, 52 intramurale zorgappartementen, 55 extramurale zorgappartementen, 15 plaatsen dagopvang en ruimte voor een Gezondheidszorg onder een dak (GOED). Niet gebleken is dat het op te richten gebouw niet als zodanig zal worden gebruikt. De rechtbank volgt de stellingen van eisers dan ook niet. Eerst wanneer de appartementen ook worden verhuurd aan mensen die geen zorgindicatie hebben, zou het gebruik niet meer binnen de bestemming passen. Verweerder heeft aangegeven dat in dat geval handhavend kan worden opgetreden.
2.10 Eisers hebben voorts gesteld dat het bouwplan in strijd is met de in het bestemmingsplan opgenomen maximale bouwmaten en hebben in dat kader aangevoerd dat het bestemmingsplan weliswaar de goot- en nokhoogte regelt, doch dat nu die hoogten ingevolge het planvoorschrift inzake het peil achteraf kunnen worden vastgesteld, dit laatste planvoorschrift onverbindend moet worden geacht nu het een rechtsonzekere situatie in het leven roept.
Ingevolge artikel 1 van de bestemmingsplanbepalingen, voor zover hier van belang, is het peil, voor een gebouw waarvan de hoofdtoegang niet direct aan een weg grenst, de hoogte van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw. De rechtbank is anders dan eisers van oordeel dat het begrip peil als hier omschreven voldoende bepaald is. In dit verband zij gewezen op een uitspraak van de AbRS van 19 december 2001, www.rechtspraak.nl, LJN: AR8262. Verweerder heeft zich derhalve op het standpunt kunnen stellen dat van de verbindendheid van deze bepaling kan worden uitgegaan.
2.11 Met betrekking tot de stelling dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan omdat het bouwplan voorziet in rechtopgaand gevelwerk, waarbij de maximale nok- en goothoogte wordt overschreden, overweegt de rechtbank als volgt.
Ingevolge artikel 3, onder A, onder 5, van de planvoorschriften wordt de goothoogte van een gebouw gemeten vanaf de horizontale snijlijn van gevelvlak en dakvlak tot aan het peil. Uit de plankaart blijkt dat de goothoogte 10 en 15 meter mag bedragen. Niet gebleken is dat het bouwplan de maximale goothoogte en de nokhoogte - maximaal 4,5 meter boven de goothoogte - overschrijdt. Uit het bestemmingsplan volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat een bouwplan moet zijn voorzien van een bepaald soort dak. De uitleg van eisers inzake de definitie van het zadeldak, zoals opgenomen in de Welstandsnota 2005, acht de rechtbank dan ook niet ter zake doende. Uit de in het dossier aanwezige bouwtekeningen, meer specifiek de gevelaanzichten en de toelichting ter zitting, is voorts voldoende aannemelijk geworden dat de dakhelling niet meer dan 60º bedraagt.
2.12 Voorts hebben eisers aangevoerd dat het bouwplan de bebouwingsgrens overschrijdt waar het betreft de (keerwanden van de) in- en uitritten van de ondergrondse parkeergarage. Eisers hebben er op gewezen dat ingevolge het bestemmingsplan gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak zijn toegestaan en dat de keerwanden, die volgens eisers onlosmakelijk en functioneel onderdeel uitmaken van het bouwplan, buiten die grenzen zijn gesitueerd.
Niet in geschil is dat de keerwanden (gedeeltelijk) buiten het bouwvlak vallen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat, gelet op ligging van de keerwanden buiten het hoofdgebouw en alsmede de verschijningsvorm en functie van de keerwanden ten opzichte van het hoofdgebouw, de keerwanden kunnen worden aangemerkt als bouwwerken, geen gebouw zijnde, zodat de omstandigheid dat de keerwanden onderdeel uitmaken van het bouwplan niet leidt tot de conclusie dat door de ligging van de keerwanden het gebouw de bebouwingsgrenzen overschrijdt. Uit de planvoorschriften blijkt niet dat een bouwwerk geen gebouw zijnde binnen het bouwvlak zouden moeten worden gesitueerd.
2.13 Met betrekking tot de grieven van eisers dat het in de rede lag nadere eisen te stellen, stelt de rechtbank vast dat verweerder in het bestreden besluit heeft vermeld dat er geen nadere eisen ten aanzien van het straat- en bebouwingsbeeld en het woon- en leefklimaat zijn opgenomen, omdat het bouwplan past binnen het bestemmingsplan waarbinnen het straat en bebouwingsbeeld en woon- en leefklimaat zijn bepaald in de stedenbouwkundige uitwerking. Daarbij kan het nadere welstandsadvies als een aanvullende motivering worden gezien. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op dit standpunt heeft kunnen stellen.
2.14 Voor zover eisers stellen dat het besluit van gedeputeerde staten van Utrecht (GS) van 31 oktober 2000 inzake de goedkeuring van het bestemmingsplan "De Schil" aanleiding had moeten zijn tot het stellen van nadere eisen, overweegt de rechtbank dat GS terzake van de uitbreiding Looborch in voormeld besluit hebben opgemerkt dat zij goed nota hebben genomen van de toezegging dat met het concrete bouwplan op een zorgvuldige wijze aansluiting zal worden gezocht met de omgeving. Daarbij hebben GS weliswaar aangegeven dat de mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen in het betreffende planvoorschrift daartoe verweerder voldoende instrumentarium biedt. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit evenwel geen verplichting tot het stellen van nadere eisen.
2.15 De rechtbank is van oordeel dat verweerder onder verwijzing naar de adviezen van de welstandcommissie van 4 oktober 2005 en 19 oktober 2006 voldoende heeft gemotiveerd waarom het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Daarbij heeft de welstandcommissie op goede gronden bij zijn beoordeling of het bouwplan strijdig is met de redelijke eisen van welstand de ruime bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan als uitgangspunt genomen. Voor het standpunt van eisers dat de welstandscommissie vooringenomen zou zijn, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten aangetroffen. Ook in de adviezen van de welstandcommissie heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien tot het stellen van nadere eisen. Immers, uit de adviezen is gebleken dat de welstandscommissie bij de beoordeling van de vraag of het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand, zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de invloed van het bouwplan op het straat- en bebouwingsbeeld en het woon- en leefklimaat. Volgens het advies van 19 oktober 2006 van de welstandscommissie is uit een veelheid van bebouwingsvarianten gebleken dat het voorgelegde concept van een doorlopende bouwmassa met lage goot en een zich openende buitenruimte aan de Krullelaan en een hogere concentratie van bebouwing aan de zuid-oostzijde het meest rekening houdt met de bebouwing in de omgeving. Daarbij heeft de welstandscommissie vermeld dat is getracht om door middel van materiaaltoepassing (onder andere pannen en gevelbekleding) de hoogte van de bouwmassa visueel te verlagen en tevens daarmee meer aan te sluiten bij de Amsterdamse Schoolstijl van de Oosterkerk.
Ten aanzien van het door eisers ingebrachte advies van 7 maart 2006 van de Stichting Dorp, Stad en Land, heeft de welstandscommissie bij voormeld advies van 19 oktober 2006 naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd aangegeven waarom in het door eisers overgelegde advies geen aanleiding is gezien het eerdere oordeel over het bouwplan te herzien en heeft verweerder de welstandscommissie daarin kunnen volgen.
2.16 Met betrekking tot de stelling van eisers dat verweerder nadere eisen had moeten stellen inzake de verkeersafwikkeling rond de in- en uitrit van de parkeergarage nabij de hoek Krullelaan/Woudenbergseweg, ziet de rechtbank geen aanleiding verweerder niet te volgen in diens stelling dat mede gelet op het feit dat het een 30-km gebied betreft, er geen onduidelijke verkeersituatie zal ontstaan.
2.17 Eisers hebben voorts aangevoerd dat het bouwplan in strijd is met het bepaalde in artikel 2.5.30 van de bouwverordening en dat ten onrechte niet in laad- en losruimte op het eigen terrein is voorzien. De te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen in aanmerking nemende, alsmede gelet op de toelichting ter zitting aan de hand van de bouwtekening dat bij de hoofdingang en achter het gebouw ruimte is te laden en te lossen, is de rechtbank van oordeel dat in voldoende mate aan deze voorwaarde is voldaan.
2.18 Met betrekking tot de vraag of voldoende is voorzien in ruimte ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in, op of onder het gebouw, hebben eisers gesteld dat uit de tekeningen kan niet worden opgemaakt of aan de parkeernorm wordt voldaan. Volgens eisers kan niet worden volstaan met een aantal van 97 parkeerplaatsen, terwijl het totaal benodigd aantal parkeerplaatsen 102 bedraagt. Dat, zoals verweerder stelt, er 110 plaatsen op eigen terrein gerealiseerd kunnen worden uitgaande van de minimale afmetingen van 1.80 meter x 5.00 meter, geldt volgens eisers alleen voor langsparkeren en niet voor haaks en gestoken parkeren. Daarbij ligt het volgens eisers voor de hand dat bij een zorgcentrum gehandicaptenparkeerplaatsen worden gerealiseerd.
2.19 Uitgaande van een minimale maatvoering conform het bepaalde in artikel 2.5.30, tweede lid, van de Bouwverordening, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aangetoond dat er op het eigen terrein voldoende parkeerplaatsen zijn gecreëerd. De rechtbank heeft daarbij geen grondslag gevonden voor het oordeel dat er een minimaal aantal gehandicaptenparkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. Ter zitting is voorts vast komen te staan dat in elk geval zes gehandicaptenparkeerplaatsen worden gecreëerd. Of er meer gehandicaptenplaatsen dienen te worden gecreëerd, is afhankelijk van de bewoners die daarvoor een vergunning kunnen aanvragen. Overigens komt het de rechtbank niet onaannemelijk voor dat de bewoners van het zorgcentrum met, naar vergunninghouder ter zitting heeft gesteld, een gemiddelde leeftijd van 85 jaar, niet allen over een auto beschikken.
2.20 De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder de onderhavige bouwvergunning op goede gronden heeft verleend.
2.21 Met betrekking tot de stelling van eisers dat verweerder de proceskosten in bezwaar had dienen te vergoeden, overweegt de rechtbank als volgt.
Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
Mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, moet worden geoordeeld dat van 'herroepen" in de zin van dit artikellid slechts sprake is indien het primaire besluit wordt gewijzigd wat betreft het daarbij beoogde of geweigerde rechtsgevolg. Nu in het onderhavige zaak geen sprake is van een situatie waarin bij het bestreden besluit het primaire besluit is herroepen, heeft verweerder bij het bestreden besluit geen aanleiding hoeven zien de proceskosten die eisers in verband met de behandeling van hun bezwaar hebben moeten maken te vergoeden.
2.22 Gelet op het vorenstaande is het beroep tegen bestreden besluit I ongegrond. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.
De kapvergunning (het bestreden besluit II)
2.23 Met betrekking tot de vraag of verweerder ten behoeve van voornoemd bouwplan op goede gronden de gevraagde kapvergunning heeft verleend, overweegt de rechtbank als volgt.
2.24 Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Bomenverordening is het verboden zonder vergunning van het college houtopstanden te vellen of te doen vellen. Op 22 augustus 2005 is door de vergunninghouder een kapvergunning aangevraagd ten behoeve van nieuwbouw ter vervanging van het bestaande verpleegtehuis de "Looborch". Ten behoeve van de aanvraag is een rapport van Pius Floris Bomverzorging gevoegd.
2.25 De rechtbank stelt vast dat verweerder bij het bestreden besluit een kapvergunning heeft verleend voor de 2, 8, 9, 13, 14, 30, 31, 32, 78, 79, 82, 83, 86 en 87. Daarbij stelt verweerder dat de bomen 2, 30, 31, 32, 78, 82, 83, 86 en 87 binnen 5 meter van de geplande nieuwbouw staan. Bomen 8, 9, 13 en 14 staan volgens verweerder in de geplande parkeervoorziening. Voorts wordt opgemerkt dat boom 79 is op 6 meter afgezaagd in verband met een dode kroon die zich niet meer kan herstellen en dat bomen 2 en 8 een toekomstverwachting hebben van 15 jaar, boom 13 een toekomstverwachting heeft van 5 jaar en boom 30 een slechte toekomstverwachting heeft.
2.26 Voor de vraag welke voorwaarden gelden voor de verlening van een kapvergunning is allereerst van belang of de betreffende bomen kunnen worden aangemerkt als beschermwaardige bomen. In geschil is of bomen 78, 79, 82, 83 en 87 als beschermwaardig dienen te worden aangemerkt.
2.27 Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Bomenverordening 2005 kunnen bomen bij de beoordeling van de aanvraag om een kapvergunning als beschermwaardige bomen aangemerkt worden als ze voldoen aan criterium a of b en aan twee van de overige criteria:
a. de leeftijd is minimaal 80 jaar;
b. de boom maakt deel uit van een beschermde monumentale structuur, een beschermd dorpsgezicht of een monument (ook vervangende jonge bomen; voor de duurzame instandhouding van monumentale structuur of monument);
c. de boom is onvervangbaar voor het karakter van de omgeving: zonder de boom is de omgeving niet meer compleet: hierin spelen de begrippen "ensemble-waarde" en cultuurhistorische waarde mee;
d. de boom is van Zeister belang: typerend voor de Zeister situatie of zeldzaam in de Zeister situatie (zoals boslandschap, buitenplaatsen, weidelandschap e.d.; vaak gerelateerd aan landschapskenmerken);
e. verschijning is beeldbepalend: de boom is een blikvanger in de omgeving;
f. de boom maakt deel uit van de hoofd-groenstructuur zoals beschreven in het bij de toepassing van deze verordening laatst bekende gemeentelijke groenstructuurplan;
g. de boom is wetenschappelijk van grote waarde, omdat het een bijzonder zuivere vertegenwoordiger van één soort betreft (genenreservoir);
h. de boom is dendrologisch van grote waarde, vanwege soort en variëteit in combinatie met leeftijd, grootte en zeldzaamheid;
i. de boom is cultuurhistorisch waardevol;
j. onderdeel van de ontworpen parkaanleg bij een buitenplaats;
k. onderdeel van een zichtas;
l. herdenkingsboom; geplant ter gelegenheid van een belangrijke gebeurtenis (bijvoorbeeld geboorte van een prins of prinses, een huwelijk, een jubileum); deze bomen zijn vaak ook geadopteerd, bijvoorbeeld door een school;
m. markeringsboom; geplant ter markering, zoals grensbomen in het agrarisch gebied, of bakenbomen langs de rivieren; heeft te maken met de nederzettingsgeschiedenis;
n. kruis/ kapelboom; geplant naast een kapel of kruisbeeld om de locatie te benadrukken;
o. boom met een bijzondere snoeivorm, bijvoorbeeld kunstsnoeivorm of oude doorgegroeide hakhoutstoven;
p. bijzondere groeivorm als gevolg van natuurlijke oorzaken bijvoorbeeld twee- of meerstammig;
q. de boom is van een grote waarde omdat het een bijzonder ras is, bijvoorbeeld de sterappel.
2.28 Eisers hebben aangevoerd de bomen 78, 79, 83 en 87 deel hebben uitgemaakt van de tuininrichting van het voormalig 1e Zeister Ziekenhuis en omstreeks 1890-1900 zijn geplant en derhalve ouder dan 80 jaar zijn. Eisers hebben ter onderbouwing van hun standpunt een onderzoek laten verrichten door boomtechnisch adviesbureau Van Jaarsveld/ Van Scherpenzeel. Uit de rapportage van 9 januari 2007 blijkt dat leeftijdsonderzoek is gedaan naar boomnummer 77, 78, 83 en 85. De rechtbank tekent daarbij aan dat voor de bomen 77 en 85 geen kapvergunning is verleend en derhalve niet ter beoordeling staan. Volgens deze rapportage moet op grond van het algehele verschijningsbeeld van de bomen verondersteld worden dat de leeftijd van de bomen gemiddeld hoger ligt dan 70 jaar en het niet uitgesloten is dat ze zelfs de 80 of 90 jaar ruim te boven gaan. In dit rapport is verder te lezen dat indien de exacte leeftijd van de bomen moet worden vastgesteld, er houtmonsters uit de stam moeten worden genomen. De bomen zullen dan tot de kern beschadigd zijn. Deze onderzoeksmethode wordt dan ook door het boomtechnisch adviesbureau afgeraden. In aanvulling op de rapportage van hebben eisers bij schrijven van 11 februari 2007 aangegeven dat zij vanwege een illegale kap op 21 januari 2007 van boom 84, welke een diameter heeft van 60 cm, uit de jaarringtelling van de stomp blijkt dat deze 90 tot 100 jaar oud is en ook mag worden aangenomen dat nummers 77, 78, 83 en 85 tenminste 90 tot 100 jaar oud zijn.
2.29 De rechtbank stelt vast dat zowel de deskundige van Pius Floris Boomverzorging te Veenendaal als de bomendeskundige van verweerder de leeftijd van de bomen heeft beoordeeld. Verweerder heeft aangegeven dat boom 21 ouder is dan 80 jaar. In reactie op de door eisers overgelegde rapportage van 9 januari 2007 van boomtechnisch adviesbureau Van Jaarsveld/ Van Scherpenzeel heeft vergunninghouder opnieuw advies gevraagd aan Pius Floris Boomverzorging. Uit het faxbericht van 12 februari 2007 blijkt dat Pius Floris Boomverzorging concludeert dat het onwaarschijnlijk is dat de leeftijd van de bomen meer dan 80 jaar zal bedragen. Anders dan boomtechnisch adviesbureau Van Jaarsveld/Van Scherpenzeel is Pius Floris Boomverzorging van mening dat op basis van een visuele beoordeling van de bomen en hun groeiplaats, het niet mogelijk is om de leeftijd in te schatten. Alleen door middel van een jaarringanalyse is het mogelijk om een exacte uitspraak te doen over de leeftijd van de boom. De breedte van de jaarringen wordt volgens het advies gedeeltelijk bepaald door een aantal invloeden als weer en bodemgesteldheid. Het door vergunninghouder bij fax van 14 februari 2007 overgelegde faxbericht van Pius Floris Boomverzorging betreffende de leeftijdsbepaling van boom 82, beschouwt de rechtbank als te laat ingediend. De rechtbank laat dit stuk derhalve bij de onderhavige beoordeling buiten beschouwing en heeft dit stuk retour gezonden.
2.30 Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de diverse adviezen niet eenduidig de conclusie worden getrokken of bomen 78 en 83 een leeftijd zouden hebben van meer dan 80 jaar. Overigens komt de rechtbank de verklaring van de vergunninghouder dat boom 84 op last van de brandweer is gekapt naar aanleiding van een grote storm in januari 2007 niet onaannemelijk voor. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat, zoals blijkt uit de getoonde monumentale kaart en bijlage 2 van beleidsnota Bomen in Zeist, de bomen geen deel uitmaken van een beschermde monumentale structuur. Het is de rechtbank niet gebleken dat naast de voorwaarden genoemd onder a of b van artikel 3 van de Bomenverordening 2005 aan twee van de overige criteria als neergelegd in artikel 3, eerste lid, van de Bomenverordening 2005 onder c tot en met q wordt voldaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat de bomen niet als beschermwaardig kunnen worden aangemerkt.
2.31 Het voorgaande brengt met zich mee dat de volgende voorwaarden voor verlening van de kapvergunning van toepassing zijn.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Bomenverordening wordt een kapvergunning geweigerd, tenzij uit de afweging van de in het geding zijnde belangen blijkt dat het belang van velling van de houtopstand groter is dan het belang van handhaving van de houtopstand.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het college de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van onder meer:
a. natuurwaarden van de houtopstand;
b. landschappelijke waarden van de houtopstand;
c. cultuurhistorische waarden van de houtopstand;
d. beeldbepalende waarden van de houtopstand;
e. de waarden van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;
f. waarden voor leefbaarheid van de houtopstand.
In de toelichting bij artikel 5 van de Bomenverordening het volgende is vermeld: "In de bestemmingsplannen heeft een zorgvuldige afweging plaatsgevonden over de locatie van het bebouwingsvlak en de functie van het groen. Daarom wordt voor het vellen van een boom op het in het bestemmingplan vastgestelde bebouwingsvlak, een kapvergunning verleend indien in het bestemmingsplan geen regeling voor het stellen van nadere eisen is opgenomen. Dat wil zeggen dat als er op basis van het bestemmingsplan niet geschoven kan worden met de bebouwing en dus de bouwvergunning moet worden verleend, ook de kapvergunning wordt verleend. Gaat het in deze situatie om een zeer groene, bosrijke omgeving dan wordt een kapvergunning verleend voor bomen die zich binnen vijf meter van de geplande bebouwing bevinden of die zich op de geplande oprit naar deze bebouwing bevinden. Buiten deze vijf meter en de oprit blijft de beplanting gehandhaafd om het groene en/of boskarakter te waarborgen. Voor de oprit wordt niet altijd automatisch kapvergunning verleend. Als deze redelijkerwijs verschoven kan worden kunnen de bomen blijven staan."
Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Bomenverordening kan aan de vergunning of het besluit noodkap het voorschrift worden verbonden dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen moet worden herplant.
Het college legt in ieder geval een herplantplicht op in het geval van;
a. beschermwaardige bomen;
b. in bosachtige tuinen en tuinen met een buitenplaatskarakter, zoals aangegeven op de bij de verordening horende kaart N1, bij een diameter vanaf 20 cm. Het college kan deze kaart wijzigen met toepassing van de procedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb;
c. bomen met een diameter vanaf 35 cm.
Uit de toelichting bij dit artikel blijkt in aansluiting op dit artikel het volgende.
Ad.A) Voor beschermwaardige bomen wordt een herplantplicht opgelegd van een boom(en) met een diameter van minimaal 6-8 cm. (handelsmaat = omtrek 20-25 cm) of met een hoogte van minimaal 2,50 - 3,00 meter.
Ad.B) In bosachtige tuinen en tuinen met een buitenplaatskarakter wordt voor inheemse soorten een herplantplicht opgelegd van een boom(en) met een diameter van minimaal 6-8 cm. (handelsmaat = omtrek 20-25 cm) of met een hoogte van minimaal 2,50-3,00 meter. Voor exoten wordt bij de herplantplicht hetzelfde aantal bomen van een inheemse soort opgelegd.
Wanneer er in een bostuin (bijv. Austerlitz, Bosch en Duin en Den Dolder) sprake is van dunning wordt geen herplantplicht opgelegd, want het kappen van de boom komt de resterende bomen immers ten goede.
Ad.C) Voor bomen met een diameter vanaf 35 cm wordt een herplantplicht opgelegd van een boom(en) met een diameter van minimaal 5,5-6,5 cm (handelsmaat = omtrek 18-20 cm) of met een hoogte van minimaal 1,50-2,00 meter.
2.32 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, onder verwijzing naar de toelichting bij artikel 5 van de Bomenverordening, in redelijkheid kunnen besluiten de kapvergunning te verlenen. De bomen staan op het in het bestemmingplan vastgestelde bebouwingsvlak en in het bestemmingsplan is geen regeling voor het stellen van nadere eisen opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat verweerder conform de toelichting slechts voor die bomen een kapvergunning heeft verleend die zich binnen vijf meter van de geplande bebouwing bevinden of die zich op de geplande oprit naar deze bebouwing bevinden. Daarbij overweegt de rechtbank dat in casu slechts die bomen ter beoordeling staan waarvoor door verweerder een kapvergunning is verleend. De stelling van eisers dat er meer bomen zijn die zich binnen een afstand van vijf meter van de geplande bebouwing bevinden, leidt dan ook niet tot een ander oordeel. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat in de Beleidsnota Bomen in Zeist, waarvan verweerder ter zitting heeft aangegeven dat die onder de werking van de Bomenverordening onverkort van toepassing is, is vermeld dat een kapvergunning verleend kan worden in onder andere het geval dat er geen andere oplossing mogelijk is voor bouwen, wegreconstructies en dergelijke.
2.33 Eisers hebben voorts onder verwijzing naar het advies van de externe AWB hoor- en adviescommissie gesteld dat de opgelegde herplantplicht niet conform het bomenbeleid is opgelegd nu in de kapvergunning is vermeld dat het perceel is gelegen in het groene gebied van de kaart N1 behorende bij de bomenverordening 2005, dat wil zeggen een perceel met een bosachtige tuin/ tuin met een buitenplaatskarakter danwel een gebied met een buitenplaatskarakter. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat in het primaire besluit abusievelijk is vermeld dat het perceel is gelegen in het groene gebied. In aanvulling hierop heeft verweerder aangegeven dat de kaart herplantplichtgebieden behorende bij de Bomenverordening op internet niet correct is. Verweerder heeft aangegeven dit te betreuren maar dat ook op internet is vermeld dat aan deze kaart geen rechten kunnen worden ontleend. Uit de ter zitting overgelegd kaart blijkt dat het perceel buiten het gebied bosachtige tuinen/tuinen met een binnenplaatskarakter valt. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan verweerders toelichting. Niet valt in te zien dat verweerder gehouden dient te worden aan een kennelijk onjuiste kaart.
2.34 De rechtbank stelt vast dat in de Beleidsnota Bomen in Zeist voorts is te lezen dat wanneer een kapvergunning wordt aangevraagd in verband met een bouwinitiatief dat past in het bestemmingsplan en er geen nadere eisen gesteld kunnen worden en/of het bouwplan niet op een andere wijze gerealiseerd kan worden, er dan voor de op het terrein aanwezige te kappen beschermwaardige bomen één op één een herplantplicht wordt opgelegd. Voor de overige kapvergunningplichtige bomen (vanaf 20 cm) wordt een kwalitatieve herplantplicht opgelegd. Voorts is in de beleidsnota vermeld dat bij een herplantplicht tevens geëist wordt dat de vergunninghouder de ondergrondse omstandigheden op de standplaats van de te herplanten boom optimaliseert. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft kunnen volstaan met de opgelegde kwalitatieve herplantplicht.
2.35 Met betrekking tot de stelling van eisers dat verweerder nader onderzoek had moeten doen naar de al dan niet op het perceel aanwezige flora- en fauna, overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat, gelet op het bepaalde in de Bomenverordening van de gemeente Zeist, een kapvergunning niet kan worden geweigerd vanwege het ontbreken van een ontheffing van de Flora- en Faunawet (Ffw). In dit verband zij verwezen naar een uitspraak van de AbRS van 6 juli 2005, gepubliceerd in AB 2005, 380. Hetgeen eisers in dit verband hebben aangevoerd, gaat dan ook het toetsingskader dat van toepassing is bij het besluit omtrent de verlening van de kapvergunning te buiten. Overigens heeft verweerder bij de verleende kapvergunning als voorwaarde gesteld dat de vergunninghouder dient te voldoen aan de in de Flora- en Faunawet gestelde regels en heeft de vergunninghouder de notitie bevindingen van een veldonderzoek van 11 januari 2007 van bureau Waardenburg B.V. overgelegd, waaruit blijkt dat de te kappen bomen op het moment van veldbezoek geen betekenis hadden als vaste- rust en verblijfplaats van beschermde soorten.
2.36 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat hetgeen door eisers is aangevoerd niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit II, zodat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.
Beslissing
3.1 verklaart de beroepen tegen het besluiten van 31 oktober 2006 ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. S. Wijna en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2007.
De griffier: De voorzieningenrechter:
mr. H.L.M. van Rooijen mr. S. Wijna
Afschrift verzonden op:
Tegen de beslissing op het beroep kan op grond van artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State door belanghebbenden beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.
De beroepstermijn bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na bekendmaking van deze uitspraak.

