
Jurisprudentie
BA3825
Datum uitspraak2007-04-10
Datum gepubliceerd2007-04-25
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers2200597506
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-04-25
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers2200597506
Statusgepubliceerd
Indicatie
Naar het oordeel van het hof had de verdachte binnen 14 dagen na het op 30 augustus 2006 gewezen vonnis in hoger beroep moeten komen, nu hem de dag van de terechtzitting tevoren bekend was.
De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Dit brengt mee dat ingevolge art. 408 eerste lid aanhef en onder c van het Wetboek van Strafvordering de termijn voor het instellen van hoger beroep op 18 oktober 2006, toen de verdachte hoger beroep instelde, was verstreken.
De door de verdachte aangevoerde omstandigheden, zoals weergegeven in het proces-verbaal van de terechtzitting, leveren geen bijzondere omstandigheden op welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.
Met name mocht de verdachte er niet van uit gaan dat aan diens schriftelijke verzoek om aanhouding gevolg zou worden gegeven en hij niet ter terechtzitting hoefde te verschijnen, dan wel niet binnen veertien dagen na
30 augustus informeren naar de afloop van de behandeling van zijn zaak ter zitting. Dat hij, zoals hij stelt, de brief van de griffier van de rechtbank te Dordrecht d.d. 17 augustus 2006 niet heeft ontvangen, maakt dat niet anders.
Uitspraak
Rolnummer: 22-005975-06
Parketnummer(s): 11-700560-06
Datum uitspraak: 10 april 2007
TEGENSPRAAK
Gerechtshof te 's-Gravenhage
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Dordrecht van
30 augustus 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960,
[adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 10 april 2007.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheidverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Blijkens een op 14 augustus 2006 ten parkette van de officier van justitie te Dordrecht ingekomen brief van de verdachte van 11 augustus 2006, waarin naar het onderhavige parketnummer wordt verwezen, heeft de verdachte om uitstel c.q. seponering van de zaak verzocht omdat er in overleg met advocaten op deze basis geen tijdige en correcte rechtshulp te verkrijgen valt. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij de betreffende brief naar aanleiding van de door hem ontvangen dagvaarding heeft geschreven en hij op de hoogte was van de zitting van de politierechter van 30 augustus 2006.
Naar het oordeel van het hof had de verdachte binnen 14 dagen na het op 30 augustus 2006 gewezen vonnis in hoger beroep moeten komen, nu hem de dag van de terechtzitting tevoren bekend was.
De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Dit brengt mee dat ingevolge art. 408 eerste lid aanhef en onder c van het Wetboek van Strafvordering de termijn voor het instellen van hoger beroep op 18 oktober 2006, toen de verdachte hoger beroep instelde, was verstreken.
De door de verdachte aangevoerde omstandigheden, zoals weergegeven in het proces-verbaal van de terechtzitting, leveren geen bijzondere omstandigheden op welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.
Met name mocht de verdachte er niet van uit gaan dat aan diens schriftelijke verzoek om aanhouding gevolg zou worden gegeven en hij niet ter terechtzitting hoefde te verschijnen, dan wel niet binnen veertien dagen na
30 augustus informeren naar de afloop van de behandeling van zijn zaak ter zitting. Dat hij, zoals hij stelt, de brief van de griffier van de rechtbank te Dordrecht d.d. 17 augustus 2006 niet heeft ontvangen, maakt dat niet anders.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mr. B.A. Stoker-Klein,
mr. Chr.A. Baardman en mr. E.P.J. Myjer,
in bijzijn van de griffier mr. C.B. Jans.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 april 2007.
Mr. E.P.J. Myjer is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

