
Jurisprudentie
BA3938
Datum uitspraak2007-02-14
Datum gepubliceerd2007-04-26
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersR200500425 & R200500594
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-04-26
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersR200500425 & R200500594
Statusgepubliceerd
Indicatie
Verzoek van de man om omgang met het kind op grond van art. 1:377f BW. De man is niet de biologische vader van het kind, maar heeft een langdurige relatie gehad met de moeder van het kind en is in dat kader veelvuldig betrokken geweest bij de verzorging en opvoeding van het kind. Sinds het overlijden van de moeder heeft het kind zijn hoofdverblijf bij de zus van de moeder (hierna: de vrouw) en haar partner.
Vast is komen te staan dat tussen de man en het kind sprake is van ‘family life’ in de zin van art. 8 EVRM. Dit betekent dat de man op grond van art. 1:377f BW in beginsel recht heeft op omgang met het kind. Gebleken is dat de vrouw niet alleen omgang tussen de man en het kind afwijst, maar dat zij ook de opvoedingssituatie die het kind bij zijn moeder had en waarin de man een grote rol speelde, diskwalificeert. Nu de moeder niet meer in leven is, lijkt de man voor het kind de enige binding te zijn met zijn verleden. Uit onderzoek is gebleken dat, indien geen omgang tussen het kind en de man zal plaatsvinden, het kind niet in staat zal zijn zich te identificeren met zijn verleden met als gevolg een breuk met zijn verleden en het risico op een identiteitscrisis. Daar staat echter tegenover dat het kind nog meer klem zal komen te zitten, wanneer omgang tussen de man en het kind wel zal worden toegestaan, dit gelet op het feit dat de vrouw in het geheel geen vertrouwen heeft in omgang tussen de man en het kind en daardoor niet in staat is om het kind hierin steun te bieden. Het kind zal dan geen basis meer hebben om op terug te vallen, terwijl de vrouw wel de persoon is in wie hij vertrouwen heeft en die hem in zijn beleving thans een veilige en vertrouwde opvoedingssituatie biedt.
Tenslotte neemt het hof in aanmerking dat het kind ernstige bezwaren blijft houden tegen omgang met de man.
Volgt afwijzing van het verzoek van de man om omgang.
Uitspraak
WvR
14 februari 2007
Sector civiel recht
Rekestnummer R200500425 en R200500594
Zaaknummers eerste aanleg 113035 / OT RK 06-1254 en 97394 / FA RK 04-1539
GERECHTSHOF ‘S-HERTOGENBOSCH
Eindbeschikking
In de zaken in hoger beroep van:
[X.],
wonende te [woonplaats],
appellante,
hierna te noemen: de vrouw,
procureur mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,
t e g e n
[Y.],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: de man,
procureur mr. L.R.G.M. Spronken.
Als vervolg op de door het hof tussen partijen gegeven beschikking van 20 september 2005.
6. De beschikking van 20 september 2005
Bij die beschikking heeft het hof overwogen dat de man op grond van art. 1:377f BW ontvangen kan worden in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangs-regeling tussen hem en [Z.] op de grond dat tussen hen sprake is van een band die aangemerkt kan worden als ‘family life’ in de zin van art. 8 EVRM. Het hof heeft daarnaast de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) verzocht een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Wat is de huidige situatie van [Z.]?
- Hoe beleeft [Z.] deze situatie?
- Welke conclusies kunnen hieruit, onder andere ten aanzien van de omgang tussen de man en [Z.], worden getrokken?
Het hof heeft voorts iedere verdere beslissing aangehouden.
7. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
in de zaak R200500594:
7.1. Het hof heeft als vervolg op de stukken, genoemd in de beschikking van 20 september 2005, kennis genomen van de navolgende stukken:
- de brief van [Z.] van 12 mei 2006;
- de brief van de raad van 22 augustus 2006 met als bijlagen het raadsrapport van 21 augustus 2006 en de schriftelijke reacties van partijen daarop;
- de ter zitting overgelegde beschikking van de rechtbank Maastricht van 19 oktober 2006 betreffende de ondertoezichtstelling van [Z.].
7.2. De nadere mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 januari 2007. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. Plantaz;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat, mevrouw mr. Kemme;
- mevrouw mr. Van der Staak namens de raad;
- mevrouw Vanhommerig, gezinsvoogdes, namens Stichting Bureau Jeugdzorg (hierna: de stichting).
[Z.] is in de gelegenheid gesteld zijn mening aan het hof kenbaar te maken en is voorafgaande aan de zitting door het hof gehoord. Het hof heeft ter zitting mededeling gedaan van de mening van [Z.].
8. De verdere beoordeling
in de zaak R200500594:
8.1. Uit het rapport van de raad van 21 augustus 2006 komt het volgende naar voren.
8.1.1. Omdat de vrouw haar wantrouwen tegenover de raad heeft uitgesproken, heeft de raad niet zelf onderzoek gedaan, maar psychotherapeutisch centrum De Viersprong Forensische Diagnostiek verzocht het door het hof gewenste onderzoek te verrichten. Uit dit onderzoek blijkt dat de opvoedingssituatie bij de vrouw en haar partner door [Z.] als veilig en vertrouwd wordt ervaren. [Z.] moet echter zijn sociaal-emotionele ontwikkeling geweld aandoen, omdat de vrouw de opvoedingssituatie die [Z.] bij zijn moeder ([X.]) en de man heeft gehad, volledig afwijst. De vrouw handelt niet vanuit de belevingswereld van [Z.], waardoor [Z.] tekort wordt gedaan en zijn identiteitsontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Hij bevindt zich in een loyaliteits- conflict tussen de vrouw en de man en feitelijk tussen de vrouw en zijn opvoedingsachtergrond. [Z.] heeft voor zijn gevoel geen andere keuze dan aan te sluiten bij de visie van de vrouw en haar familie, dit uit angst om zijn familie kwijt te raken. Hij reageert hierop door zijn emoties te verdringen en geen affectie te uiten. De vrouw kan omgang tussen [Z.] en de man niet hanteren en zij kan [Z.] hierin totaal geen steun bieden. Zij zal zich eerder van hem afwenden, zodat [Z.] dan geen basis meer zal hebben waarop hij kan terugvallen. De Viersprong komt tot de conclusie dat een fysieke omgang tussen [Z.] en de man voor [Z.] slechts zal leiden tot verdere problemen, te weten afwijzing van hem door zijn directe verzorgers en hun familie. Mocht het hof besluiten dat omgang kan plaatsvinden, dan adviseert De Viersprong het herstel van contact tussen [Z.] en de man in eerste instantie te begeleiden. Mocht besloten worden dat omgang niet mogelijk is, dan is het wenselijk dat [Z.] ondersteuning krijgt in het hanteren van zijn loyaliteitsconflict.
8.1.2. De raad is op grond van het onderzoek van De Viersprong van mening dat enige vorm van contact tussen [Z.] en de man dient te worden nagestreefd. Een daadwerkelijke fysieke omgangsregeling lijkt niet tot de mogelijkheden te behoren. Eventueel zou gedacht kunnen worden aan een alternatief contact tussen [Z.] en de man, zoals bijvoorbeeld een schriftelijke informatiewisseling, waardoor [Z.] het gevoel heeft dat hij contact met de man mag hebben en waarbij de vrouw hem dit toestaat zonder hem af te wijzen. De raad acht hulp in een meer verplichtend kader noodzakelijk om de ontwikkeling van [Z.] veilig te stellen, hetgeen heeft geresulteerd in een verzoek tot ondertoezichtstelling van [Z.].
8.1.3. Bij beschikking van 19 oktober 2006 heeft de rechtbank Maastricht [Z.] voor de duur van één jaar onder toezicht gesteld van de stichting.
8.2. Het hof overweegt als volgt.
Vast is komen te staan dat tussen de man en [Z.] sprake is van ‘family life’ in de zin van art. 8 EVRM. Dit betekent dat de man op grond van art. 1:377f BW in beginsel recht heeft op omgang met [Z.], tenzij het belang van [Z.] zich hiertegen verzet of [Z.], die inmiddels [leeftijd] jaar oud is, hiertegen bezwaar maakt. Gebleken is dat de vrouw niet alleen omgang tussen de man en [Z.] afwijst, maar dat zij ook de opvoedingssituatie die [Z.] bij zijn moeder had en waarin de man een grote rol speelde, diskwalificeert. Nu de moeder van [Z.] niet meer in leven is, lijkt de man voor [Z.] de enige binding te zijn met zijn verleden. Uit de raadsrapporten van 14 maart 2005 en 21 augustus 2006 en het door De Viersprong verrichte onderzoek blijkt dat, indien geen omgang zal plaatsvinden tussen de man en [Z.], [Z.] niet in staat zal worden gesteld zich te identificeren met zijn verleden, waardoor een breuk zal ontstaan met dit verleden. Als gevolg hiervan bestaat het risico dat [Z.] op den duur in een identiteitscrisis zal komen te verkeren. [Z.] lijkt als het ware te kampen met een dubbel loyaliteitsconflict, te weten ten aanzien van de man en de vrouw en ten aanzien van zijn verleden. Daar staat echter tegenover dat [Z.] nog meer klem zal komen te zitten, wanneer omgang tussen de man en [Z.] wel zal worden toegestaan, dit gelet op het feit dat de vrouw in het geheel geen vertrouwen heeft in omgang tussen de man en [Z.] en daardoor niet in staat is om [Z.] hierin steun te bieden. [Z.] zal dan geen basis meer hebben om op terug te vallen, terwijl de vrouw wel de persoon is in wie hij vertrouwen heeft en die hem in zijn beleving thans een veilige en vertrouwde opvoedingssituatie biedt. Het voorgaande wordt zowel door de onderzoeker van De Viersprong in zijn rapportage als door de gezinsvoogd ter zitting onderschreven. Zij zijn beiden van mening dat omgang tussen de man en [Z.] niet in het belang van [Z.] is, nu [Z.] hierdoor in een onmogelijke situatie zal worden gebracht. Het hof overweegt daarnaast dat de behandelend jeugd- en kinderpsychiater van [Z.], dr. Bisschops, heeft aangegeven dat het thans goed gaat met [Z.]. Tenslotte neemt het hof in aanmerking dat [Z.] ernstige bezwaren blijft houden tegen omgang met de man. Zowel in zijn brief van 12 mei 2006 als tijdens het horen door het hof op 10 januari 2007 heeft hij nadrukkelijk verklaard dat hij door de man met rust gelaten wenst te worden en dat hij de man niet wil zien.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het belang van [Z.] zich thans verzet tegen omgang met de man. De vertrouwensbasis voor omgang ontbreekt geheel. Het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling zal mitsdien worden afgewezen. Dit laat echter onverlet dat de zorg omtrent de breuk van [Z.] met zijn verleden en het hierdoor ontstane risico van een identiteitscrisis blijft bestaan. Mogelijk kan [Z.] in het kader van de ondertoezichtstelling begeleid en ondersteund worden bij het hanteren van zijn loyaliteitsconflict en het op verantwoorde wijze levend houden van zijn verleden. In het kader hiervan zou eventueel op termijn onder begeleiding van de gezinsvoogd bekeken kunnen worden of de tijd rijp is voor contact tussen [Z.] en de man.
in beide zaken:
8.3. De bestreden beschikking van de rechtbank Maastricht van 17 januari 2005 dient te worden bekrachtigd, terwijl de bestreden beschikking van de rechtbank van Maastricht van 15 april 2005 dient te worden vernietigd.
8.4. Gelet op de aard van de onderhavige zaak zullen de op beide instanties gevallen proceskosten worden gecompenseerd.
5. De beslissing
Het hof:
in de zaak R200500425:
bekrachtigt de bestreden beschikking van de rechtbank Maastricht van 17 januari 2005;
in de zaak R200500594:
vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank Maastricht van 15 april 2005;
en opnieuw rechtdoende:
wijst alsnog af het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en de minderjarige [Z.] , geboren op [geboortejaar];
in beide zaken:
compenseert de op beide instanties gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Kranenburg, Draijer-Udo en Philips en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 14 februari 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

