Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA3961

Datum uitspraak2007-04-11
Datum gepubliceerd2007-04-26
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers15/035291-04
Statusgepubliceerd


Indicatie

Vrijspraak ter zake van afpersing, art. 317 Sr. Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd. De rechtbank stelt vast dat de aangifte, los van de vraag of de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar is, geen steun vindt in de overige bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden. De rechtbank constateert dat uit het dossier naar voren komt dat er druk op [slachtoffer] is uitgeoefend om een geldbedrag te betalen. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt dat hij samen met [verdachte], [slachtoffer] heeft opgezocht bij het pannenkoekenrestaurant en dat zij hem hebben gechanteerd met het bekend maken van zijn buitenechtelijke relatie. Uit geen enkel ander bewijsmiddel dan de aangifte komt naar voren dat [slachtoffer] is bedreigd met geweld, dan wel dat hem is medegedeeld dat zijn vrouw en vriendin onder handen zouden worden genomen. Derhalve dient verdachte naar het oordeel van de rechtbank te worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd. Zie ook BA3935 en BA3960.


Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM SECTOR STRAFRECHT MEERVOUDIGE STRAFKAMER Parketnummer: 15/035291-04 Uitspraakdatum: 11 april 2007 Tegenspraak VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv) Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 maart 2007 in de zaak tegen: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats]. 1. Tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij in of omstreeks de periode van 29 maart 2004 tot en met 31 maart 2004 te Bloemendaal en/of te Heemstede en/of te Zandvoort, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van 25.000 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan (een) ander(en) dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), immers is/zijn/heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s): - bij die [slachtoffer] in de auto gaan zitten en/of - (vervolgens) die [slachtoffer] (op dreigende toon) meegedeeld dat: - hij goed moest luisteren en/of - een groep Joegoslaven naar hem op zoek was en/of dat er een Joegslaaf werd vermist en men dacht dat hij er mee te maken had en/of - als hij 25.000 euro zou betalen hij/zij hem met rust zou(den) laten en/of - als hij niet zou betalen de gevolgen voor hem zouden zijn en/of - zijn vrouw en vriendin onder handen zouden worden genomen en/of - hij/zij, verdachte en/of zijn mededader(s), anders naar zijn vrouw en vriendin zou(den) gaan en/of - hij wel zou gaan betalen als zijn vrouw en vriendin waren aangepakt en/of - zijn vriendin en het zusje van zijn vriendin niet meer helemaal heel zouden zijn en/of - hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) 's-avonds terug zou(den) komen en zou(den) beginnen - met het verbouwen van zijn vriendin en vervolgens naar hem zou(den) komen en/of - hem bij de schouder gepakt en/of in zijn schouder geknepen en hierbij gezegd: Je gaat maar betalen oude man. Anders praten wij morgen voor jou heel onvriendelijk en/of - (meermalen) die [slachtoffer] opgebeld om te vragen waar het geld bleef, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 2. Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3. Vrijspraak De officier van justitie heeft ter terechtzitting gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Hij heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden, waarvan zes (6) maanden vooralsnog niet ten uitvoer behoeven te worden gelegd en met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten. Voorts vordert de officier van justitie een geldboete ter hoogte van € 5000,-. De officier van justitie baseert zijn standpunt in grote mate op de aangifte van de heer [slachtoffer]. In tegenstelling tot de raadsman van verdachte acht de officier van justitie de verklaring van aangever wel betrouwbaar. De officier van justitie stelt daarover - zakelijk weergegeven - het navolgende: De aangever is op het punt van de bedreiging met geweld erg duidelijk. Hij was een geldbedrag schuldig en om ervoor te zorgen dat hij dat ging betalen, is aangever opgezocht door verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1]. Aangever voelde zich bedreigd, omdat zij hem, zijn vrouw en zijn vriendin iets aan zouden doen. De rol van verdachte wordt bevestigd door [betrokkene] en [medeverdachte 1]. Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd. De rechtbank stelt vast dat de aangifte, los van de vraag of de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar is, geen steun vindt in de overige bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden. De rechtbank constateert dat uit het dossier naar voren komt dat er druk op [slachtoffer] is uitgeoefend om een geldbedrag te betalen. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt dat hij samen met [verdachte], [slachtoffer] heeft opgezocht bij het pannenkoekenrestaurant en dat zij hem hebben gechanteerd met het bekend maken van zijn buitenechtelijke relatie. Uit geen enkel ander bewijsmiddel dan de aangifte komt naar voren dat [slachtoffer] is bedreigd met geweld, dan wel dat hem is medegedeeld dat zijn vrouw en vriendin onder handen zouden worden genomen. Derhalve dient verdachte naar het oordeel van de rechtbank te worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd. 4. Beslissing De rechtbank: Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij. 5. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. Kingma, voorzitter, mrs. Vos- De Greeve en Van der Bijl, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Blijleven, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 april 2007. Mrs. Vos- De Greeve en Van der Bijl zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.