Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA4293

Datum uitspraak2007-04-27
Datum gepubliceerd2007-05-04
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/607 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Schatting WAO. Het rapport van de deskundige is zorgvuldig en consistent en naar behoren gemotiveerd.


Uitspraak

05/607 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 december 2004, 03/289 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 27 april 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. C. Brouwer-Morren, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2007. Appellante noch haar gemachtigde is, zoals tevoren schriftelijk is meegedeeld, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels. II. OVERWEGINGEN Appellante, destijds werkzaam als groepsleerkracht in het basisonderwijs gedurende 32 uur per week, is op 20 juni 1995 uitgevallen met depressieve klachten. Met ingang van 18 juni 1996 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Appellante is op eigen verzoek op 14 maart 2001 op het spreekuur door J.N.M. van Gent-Martinet gezien. Tijdens dit spreekuur heeft zij aangegeven dat haar arbeidsongeschiktheid sedert mei 2000 is toegenomen. Van Gent-Martinet heeft na onderzoek geconcludeerd dat de medische situatie van appellante ten opzichte van de vorige onderzoeken niet wezenlijk is veranderd. Zij acht appellante belastbaar voor arbeid waarbij aangegeven wordt dat appellante beperkt wordt geacht ten aanzien van werken onder continue tijds- of tempodruk, het werken in lawaaiige omstandigheden, ten aanzien van conflicthantering en monotoon werk. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige F. Melchers in zijn rapport van 11 april 2001 geconcludeerd dat appellante met inachtneming van deze beperkingen in staat is tot het verrichten van een aantal voor haar geselecteerde functies. Het op basis hiervan berekende verlies aan verdiencapaciteit bedroeg 35,75%, zodat appellantes WAO-uitkering bij besluit van 20 april 2001 met ingang van 11 april 2001 is verhoogd naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%. In bezwaar voert appellante aan dat zij zowel psychisch als fysiek niet in staat is om normaal in het arbeidsproces te functioneren en dat deze klachten sedert mei 2000 zijn toegenomen. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante een brief van haar behandelend psycholoog, drs. P.C. van Dongen, overgelegd. Bezwaarverzekeringsarts, drs. G. van Nispen, heeft geen aanleiding gezien het primaire medische oordeel niet te volgen. Bezwaararbeidsdeskundige A.H.P. Offermans heeft een aantal van de door arbeidsdeskundige Melchers geselecteerde functies verworpen, maar heeft voorts overwogen dat voldoende functies resteren om de schatting te kunnen dragen. Hierop heeft het Uwv bij besluit op bezwaar van 30 december 2002, hierna: het bestreden besluit, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 april 2001 ongegrond verklaard. In beroep heeft appellante haar grieven herhaald. Met name wordt aangegeven dat in het besteden besluit geen beslissing is genomen terzake van de vermeende toename van haar arbeidsongeschiktheid per mei 2000. Ter onderbouwing van haar standpunt dat haar psychische klachten sedert mei 2000 zijn toegenomen, heeft appellante een rapport van prof. dr. M. Kuilman van 28 november 2003 overgelegd met als bijlage een rapport van de psychologen drs. H.C.B. Kok en drs. R.J. Vriend. Prof. Kuilman concludeert in zijn rapport dat appellante een persoonlijkheidsstoornis NAO heeft, met obsessief-compulsieve trekken. Prof. Kuilman geeft aan dat appellante uit hoofde van haar afgenomen weerbaarheid niet inzetbaar is voor loonvormende arbeid. In reactie op het rapport van prof. Kuilman heeft bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp in een rapport van 8 januari 2004 gemotiveerd aangegeven geen aanleiding te zien tot wijziging van het ingenomen standpunt. Uiteindelijk heeft de rechtbank psychiater N.J. de Mooij als deskundige ingeschakeld. In zijn rapport heeft De Mooij aangegeven dat er op de in geding zijnde datum van 11 april 2001 alsmede mei 2000 sprake was van stoornissen in de persoonlijkheid die aangeduid kunnen worden als een persoonlijkheidsstoornis NAO in D.S.M. IV termen. Er is sprake van dwangmatige trekken in de persoonlijkheid die betrekkelijk licht van aard zijn. De Mooij is van mening dat er geen sprake is van een als ziekte of gebrek aan te merken psychiatrische stoornis en acht appellante in staat om arbeid te verrichten. Hij kan zich verenigen met de beperkingen zoals Van Gent-Martinet die heeft vastgesteld. Tevens acht hij appellante in staat de geduide functies te verrichten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de bevindingen en conclusies van De Mooij voor onjuist te houden, waarna de rechtbank het beroep ongegrond heeft verklaard. In hoger beroep blijft appellante zich op het standpunt stellen dat de deugdelijk onderbouwde conclusies van psychiater prof. Kuilman, waartoe hij is gekomen na diepgaand psychologische onderzoeken op basis van een urenlang gesprek met appellante, gevolgd dienen te worden. In ’s Raads vaste jurisprudentie ligt besloten dat de Raad het oordeel van een door een bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van de hoofdregel is gerechtvaardigd. De Raad is van oordeel dat er in dit geval geen reden voor afwijking van deze hoofdregel aanwezig is. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat de rechtbank, juist vanwege het feit dat er verschillende opvattingen bestonden omtrent appellantes gezondheidstoestand, een deskundige heeft ingeschakeld. Voorts heeft psychiater De Mooij kennis genomen van alle in het dossier aanwezige stukken waaronder de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen alsmede de brief van drs. P.C. van Dongen d.d. 26 april 2002, brieven van de psychiaters R.W.H. van de Weijden en M.E.T.M. Müller, een brief d.d. 13 december 1995 van B. Koning, psycholoog, een brief d.d. 8 april 1998 van J.W. Boshuizen, sociaal verpleegkundige, een brief d.d. 6 juli 2001 van J.C.P. Biermans, huisarts en het rapport van prof. Kuilman, met de reacties over en weer op voornoemd rapport. Naar het oordeel van de Raad is het rapport van de deskundige zorgvuldig en consistent en naar behoren gemotiveerd. In zijn rapport heeft De Mooij het rapport van prof. Kuilman uitvoerig besproken en vervolgens aangegeven op welke punten hij een andere mening is toegedaan. Voorts constateert de Raad dat namens appellante geen nadere reactie van prof. Kuilman op het rapport van De Mooij is ingezonden. Het in hoger beroep namens appellante gedane verzoek om de conclusies van prof. Kuilman te volgen, wordt door de Raad gelet op het vorenoverwogene niet gehonoreerd. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 april 2007. (get.) D.J. van der Vos. (get.) M. Gunter. JL