Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA4353

Datum uitspraak2007-04-20
Datum gepubliceerd2007-05-03
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200701508/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

14-1 brief / aanvraag / belanghebbende / gemachtigde Bij de brief van 17 juli 2003 heeft [naam] van Vluchtelingenwerk AZC [plaatsnaam] de minister verzocht ten behoeve van de vreemdeling gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid en hem alsnog in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning. [..] De brief van 17 juli 2003 is afkomstig van en ondertekend in opdracht van [naam], voornoemd. Daaruit blijkt niet dat deze of Vluchtelingenwerk AZC [plaatsnaam] handelde als gemachtigde van de vreemdeling. Voorts heeft voornoemde [naam] noch Vluchtelingenwerk AZC [plaatsnaam] gesteld belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bij het in die brief gedane verzoek te zijn. Omdat de brief van de minister van 6 november 2003 daarom geen afwijzing van enige aanvraag behelst en derhalve geen besluit is in de zin van de Awb is, heeft de minister het door de vreemdeling daartegen gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.


Uitspraak

200701508/1. Datum uitspraak: 20 april 2007 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de Staatssecretaris van Justitie, appellant, tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/31110 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 25 januari 2006 (lees: 2007) in het geding tussen: [de vreemdeling], en de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. 1. Procesverloop Bij brief van 6 november 2003 heeft Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) aan [naam] naar aanleiding van diens brief van 17 juli 2003 meegedeeld dat niet inhoudelijk op de procedure van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) kan worden ingegaan omdat zonder diens toestemming geen gegevens van betrokkene aan derden kunnen worden verstrekt. Bij besluit van 22 mei 2006 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar niet ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 25 januari 2006 (lees: 2007), verzonden op 1 februari 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 28 februari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 15 maart 2007 heeft de vreemdeling een reactie ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. Bij de brief van 17 juli 2003 heeft [naam] van Vluchtelingenwerk AZC [plaatsnaam] de minister verzocht ten behoeve van de vreemdeling gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid en hem alsnog in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning. 2.2. De staatssecretaris klaagt in de grieven onder meer dat, samengevat weergegeven, de rechtbank heeft miskend dat de brief van 17 juli 2003 geen aanvraag als bedoeld in het derde lid van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) behelst, zodat zijn bij brief van 6 november 2003 gegeven reactie geen besluit inhoudt. Hij stelt in dit verband onder meer dat uit de brief van 17 juli 2003 niet blijkt dat deze namens de vreemdeling is geschreven en betoogt dat de opsteller ervan noch Vluchtelingenwerk AZC [plaatsnaam] belanghebbende is bij het verzoek. 2.3. De brief van 17 juli 2003 is afkomstig van en ondertekend in opdracht van [naam], voornoemd. Daaruit blijkt niet dat deze of Vluchtelingenwerk AZC [plaatsnaam] handelde als gemachtigde van de vreemdeling. Voorts heeft voornoemde [naam] noch Vluchtelingenwerk AZC [plaatsnaam] gesteld belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bij het in die brief gedane verzoek te zijn. 2.4. Omdat de brief van de minister van 6 november 2003 daarom geen afwijzing van enige aanvraag behelst en derhalve geen besluit is in de zin van de Awb is, heeft de minister het door de vreemdeling daartegen gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. De grieven slagen. 2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 22 mei 2006 ongegrond verklaren. 2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 25 januari 2006 (lees: 2007) in zaak no. AWB 06/31110; III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van Staat. w.g. Lubberdink Voorzitter w.g. De Groot ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2007 210 Verzonden: Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze, mr. H.H.C. Visser, directeur Bestuursrechtspraak