
Jurisprudentie
BA5094
Datum uitspraak2007-05-11
Datum gepubliceerd2007-05-15
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/4974 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-05-15
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/4974 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Weigering WAO-uitkering toe te kennen.
Uitspraak
05/4974 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, van 14 juli 2004, 05/1076 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat te Amstelveen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2007. Appellant is, met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Sowka.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 18 mei 1989 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van
10 augustus 1988 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.
Bij uitspraak van 27 april 1994 heeft de Raad het ter zake van voornoemd besluit ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard. Bij zijn uitspraak heeft de Raad de rapportages van de door de rechtbank Amsterdam geraadpleegde deskundigen, de neuroloog dr. P. Fleury en de zenuwarts dr. J.A.H. Koelen van belang geacht.
Bij brief van 14 februari 2004 is namens appellant verzocht om herziening van het besluit van 18 mei 1989, dan wel om toekenning van een WAO-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid per 2 juni 1998.
Bij besluit van 28 mei 2004 heeft het Uwv te kennen gegeven niet te zullen terugkomen op het besluit van 18 mei 1989, omdat niet gebleken is van nieuwe feiten of omstandigheden.
Voorts is meegedeeld dat de arbeidsongeschiktheid per 2 juni 1998 niet is ingetreden binnen vijf jaar na het vervullen van de wachttijd per 10 augustus 1988, zodat appellant op grond van artikel 43a van de WAO geen recht heeft op toekenning van een WAO-uitkering.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het standpunt van het Uwv onderschreven dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die een ander licht werpen op appellants gezondheidssituatie per 10 augustus 1988.
De Raad kan zich verenigen met dit oordeel van de rechtbank.
Voorts kan de Raad zich ook vinden in de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de in algemene bewoordingen geclaimde arbeidsongeschiktheid met ingang van
2 juni 1998. Vaststaat dat appellant op die datum niet tot de kring van verzekerden voor de WAO behoorde.
De rechtbank heeft voorts terecht opgemerkt dat toetsing aan de hand van artikel 43a van de WAO niet aan de orde is en hierbij verwezen naar vaste jurisprudentie van de Raad (LJN AD9471). Enkel personen aan wie op of na 30 december 1990 per einde wachttijd geen WAO-uitkering toegekend hebben gekregen kunnen aan deze bepaling aanspraken ontlenen.
Het hoger beroep faalt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) T.R.H. van Roekel.
MK

