Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA5264

Datum uitspraak2007-04-19
Datum gepubliceerd2007-05-16
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/5105 MPW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Heeft betrokkene terecht geen recht meer op een arbeidsongeschiktheidspensioen omdat hij geen recht meer heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering?


Uitspraak

04/5105 MPW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 augustus 2004, 04/519 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris) Datum uitspraak: 19 april 2007 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben desgevraagd toestemming gegeven voor het ingevolge artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) achterwege laten van een behandeling van het geding ter zitting van de Raad. II. OVERWEGINGEN Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende. Bij besluit van 25 juli 2002, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 30 oktober 2002, heeft de staatssecretaris beslist dat appellant vanaf 26 september 2002 geen recht meer heeft op een arbeidsongeschiktheidspensioen, omdat hij geen recht meer heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Aan appellant is tevens medegedeeld dat hij vanaf die datum recht heeft op een garantiepensioen, berekend naar een diensttijd van vier jaar. De Rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het namens appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat artikel 3, eerste lid, van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen (verder: het Besluit) bepaalt dat de beroepsmilitair die ter zake van ziekten of gebreken uit zijn militaire betrekking is ontslagen recht heeft op een arbeidsongeschiktheids-pensioen, zolang vanwege die betrekking recht bestaat op een arbeidsongeschiktheids-uitkering. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant gezien het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van het Besluit geen recht heeft op een arbeidsongeschikt-heidspensioen, nu hij niet meer in aanmerking komt voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De Raad stelt vast dat appellants beroep, gericht tegen de beëindiging van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering, bij uitspraak van de Rechtbank te Assen van 15 januari 2004 ongegrond is verklaard. Voorts stelt de Raad vast dat deze uitspraak, bij uitspraak van de Raad van 4 april 2006, nummer 04/1057 WAO, is vernietigd en dat het beroep gericht tegen het in die procedure bestreden besluit gegrond is verklaard met vernietiging van dat besluit. De Raad kan zich geheel verenigen met de conclusie van de rechtbank waar deze opmerkt dat indien de procedure - bedoeld is 04/1057 WAO - zal uitwijzen dat de arbeidsonge-schiktheidsuitkering ten onrechte is ingetrokken, dit gevolgen heeft voor het door de staatssecretaris ingetrokken arbeidsongeschiktheidspensioen. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat nu appellant ingevolge vorengenoemde uitspraak met ingang van 26 september 2002 in aanmerking komt voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering, de Staatssecretaris gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van het Besluit ten onrechte het arbeidsongeschiktheidspensioen heeft ingetrokken. Het vorenstaande betekent dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komen. De Raad acht termen aanwezig om de Staatssecretaris met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten voor verleende rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep gegrond; Vernietigt het bestreden besluit; Veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden; Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 april 2007. (get.) A. Beuker-Tilstra. (get.) J.P. Schieveen.