Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA5313

Datum uitspraak2007-05-03
Datum gepubliceerd2007-05-21
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/2846 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Termijnoverschrijding betaling van het griffierecht. Verzet ongegrond.


Uitspraak

06/2846 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 3 april 2006, kenmerk 04/627 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 3 mei 2007 I. PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 7 november 2006 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de uitspraak van de Raad van 7 november 2006 heeft appellant verzet gedaan. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2007 waar appellant in persoon is verschenen en waar het Uwv zich niet heeft laten vertegenwoordigen. II. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 7 november 2006 berust hierop, dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij brief van 31 juli 2006 gestelde termijn, welke eindigde op 28 augustus 2006, is bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel ter griffie is betaald. Het verschuldigde griffierecht is eerst op 9 november 2006 op de rekening van de Raad bijgeschreven. In het verzetschrift en ter zitting heeft appellant aangegeven dat hij ten tijde van de uitnodiging van het griffierecht geen inkomsten had en dat hij van de hulp van familie en vrienden leefde. Ter zitting heeft appellant nog aangegeven telefonisch contact te hebben gehad met de griffie van de Raad. De Raad oordeelt als volgt. Niet in geschil is dat het griffierecht niet tijdig is betaald. Vast staat voorts dat appellant niet binnen de termijn waarbinnen het griffierecht betaald diende te worden de Raad om uitstel van betaling heeft verzocht. De omstandigheden die appellant in het verzet - voor het eerst - heeft aangevoerd doen hieraan niet af. De Raad is voorts niet gebleken van omstandigheden waardoor appellant niet in staat zou zijn geweest het griffierecht tijdig te voldoen dan wel een verzoek om uitstel van betaling van het griffierecht in te dienen. Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2007. (get.) T.L. de Vries. (get.) J.J. Janssen. RB2504