Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA5325

Datum uitspraak2007-05-08
Datum gepubliceerd2007-07-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHerziening
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers00242/06 H
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herziening.


Uitspraak

8 mei 2007 Strafkamer nr. 00242/06 H SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 14 juli 2006, nummer 21/005816-05, ingediend door mr. C.A. Boeve, advocaat te Putten, namens: [aanvraagster], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, wonende te [woonplaats]. 1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Zutphen van 9 november 2005, voor zover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de aanvraagster ter zake van 1. medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, 3. medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in art. 225, eerste lid Sr, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd, 4. medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij art. 82, eerste lid van de Wet toezicht Kredietwezen 1992, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd en 5. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 6], [betrokkene 7], [betrokkene 8], [betrokkene 9], [betrokkene 10], [betrokkene 11], [betrokkene 12], [betrokkene 13] en [betrokkene 14] toegewezen en aan de aanvraagster betalingsverplichtingen opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld. 2. De aanvrage tot herziening De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 3. Beoordeling van de aanvrage 3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. 3.2. Art. 459 Sv schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken. 3.3. Het in de aanvrage gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en 460 Sv, niet worden ontvangen. 4. Beslissing De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 8 mei 2007.