Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA5396

Datum uitspraak2007-03-27
Datum gepubliceerd2007-05-21
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers151768
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

Van misbruik van omstandigheden is sprake, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden (artikel 3:44 lid 4 BW).


Uitspraak

vonnis RECHTBANK ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 151768 / KG ZA 07-84 Vonnis in kort geding van 27 maart 2007 in de zaak van [eiser], h.o.d.n. Interior Business, wonende te [woonplaats], eiser bij dagvaarding van 23 februari 2007, procureur mr. P.M. Wilmink, advocaat mr. J. Bisschop te Zwolle, tegen [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde, advocaat mr. A.J. de Bie te Kerkdriel. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties - de mondelinge behandeling - de pleitnota van [eiser] - de pleitnota van [gedaagde]. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. [eiser] heeft een bedrijf dat onder meer handelt in machines en toebehoren voor gordijnateliers. 2.2. [gedaagde] heeft bij koopovereenkomst van 28 augustus 2006 de volgende roerende zaken (hierna: de machines), zoals die zich bevonden in haar gordijnatelier, voor een bedrag van € 3.000,00 aan [eiser] verkocht: - 1 Juki rechtstikker DDL-555 ON 3; - 1 Brother rechtstikker DB2 B737 913; - 1 Locker 3-dr. met Pouler, Juki MO 240 4N; - 1 Blindzomer Maier; - 1 Strijkunit met plank, Faber 120/Cantel 600 compleet; - 1 Brother Pfa DB2 B737 913 hakenmachine incl. compressor; - 1 zelfgemaakte hoogtemeter met motor en afspuiter. 2.3. Bij de stukken bevindt zich een factuur van 31 augustus 2006 van [gedaagde] (Atelier Jacqueline) aan Van Paridon BV Woningstoffering te Eerde, betreffende de verkoop van de machines voor een bedrag van € 6.000,00 exclusief BTW. 2.4. Bij brief van 21 november 2006 heeft [eiser] onder meer het volgende aan [gedaagde] bericht. “U gaf aan op 1 december 2006 te zullen stoppen. U kan mij uw factuur eind november of begin december 2006 sturen: deze zullen wij voor het ophalen van de machines aan u overmaken. Daarna zullen wij omstreeks de eerste of tweede week december 2006 de machines ophalen. Dit in nader overleg. Om het transport met u af te stemmen, vernemen wij graag van u op welke dag en tijd dit kan geschieden. U wist dat ik, toen ik de machines had gekocht, op doorreis was en de gekochte machines ging verkopen. Voordat wij samen hebben getekend, heeft u, in mijn bijzijn, telefonisch contact met uw man hierover gehad en hem gevraagd of hij het ook goed vond. Ook uw man ging hiermee akkoord en daarna hebben u en ik de koop getekend. Twee dagen later belde u mij dat de koop niet door zou gaan, omdat u niet zou gaan stoppen maar toch door zou gaan met uw atelier. Dit was voor mij niet acceptabel omdat u mij, geheel overtuigend, alle redenen opgaf waarop u op 1 december 2006 ging stoppen. Met de gegevens op papier (ook uw handtekening) en wat ik van uw klanten weet, wil ik nu graag van u vernemen wanneer wij de machines op kunnen halen.” 2.5. In reactie op voorgaande brief heeft [gedaagde] bij brief van 27 november 2006 het volgende aan [eiser] bericht. “Wij vernietigen door deze de overeenkomst BUITEN RECHTE op grond van aan U te verwijten DWALING en PSYCHISCHE DWANG U heeft als DESKUNDIGE geboden op zaken die blijkbaar meer waard zijn. Dit is voor ons onaanvaardbaar.” 2.6. Op 30 november 2006 heeft mr. drs. P.J.M. Veuger van VD&P Juristen te Genemuiden namens [eiser] [gedaagde] gesommeerd te bevestigen dat de overeenkomst onverkort zal worden nagekomen en dat de machines conform de afspraak in de eerste helft van de maand december 2006 zullen worden geleverd. 2.7. Bij brief van 6 december 2006 heeft [gedaagde] het volgende aan VD&P Juristen bericht. “Heer v Dalfsen kent ons standpunt, en dat is onaanvaardbaar.” 2.8. [eiser] heeft met verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 15 december 2006 geprobeerd ten laste van [gedaagde] conservatoir beslag tot afgifte te doen leggen op de machines. De betreffende deurwaarder, de heer E.A.C. Appels, heeft op genoemde datum geconstateerd dat geen van de machines aanwezig was in of rondom het woonhuis van [gedaagde]. 2.9. De advocaat van [eiser] heeft [gedaagde] bij brief van 18 januari 2007 nogmaals gesommeerd haar leveringsverplichting na te komen. 2.10. [gedaagde] heeft hieraan niet voldaan. 3. Het geschil 3.1. [eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot: - primair: levering aan hem van de onder 2.1. omschreven machines, binnen 48 uur na betekening van dit vonnis en op straffe van een dwangsom; - subsidiair: betaling aan hem van een voorschot op de door hem geleden schade, zulks tot een bedrag van € 7.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 november 2006, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot de dag der algehele betaling. Voorts vordert [eiser] dat [gedaagde] wordt veroordeeld om aan hem te betalen de kosten in verband met de beslaglegging, zijnde € 1.554,92, en de buitengerechtelijke kosten, zijnde € 725,00, telkens met de bepaling dat indien dit bedrag niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis is betaald daarover de wettelijke rente vanaf die datum zal zijn verschuldigd. Ten slotte vordert [eiser] dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de kosten van dit geding, alsmede de nakosten en de door de deurwaarder zonodig in verband met de betekening en executie van dit vonnis te maken kosten. 3.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiend uit de koopovereenkomst. Zij weigert immers de machines aan [eiser] te leveren. Hierdoor lijdt [eiser] schade omdat hij vier van de gekochte machines inmiddels heeft doorverkocht aan een derde. Hij dient deze machines op korte termijn aan zijn afnemer te leveren, waartoe hij door de weigering van [gedaagde] niet in staat is. Indien hij de machines niet kan leveren, zal hij worden geconfronteerd met een aanzienlijke schadeclaim. Ook zal de koopovereenkomst door zijn afnemer worden ontbonden. 3.3. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer waarop, voor zover van belang, hierna zal worden ingegaan. 4. De beoordeling 4.1. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van [eiser]. 4.2. De primaire vordering van [eiser] ziet op nakoming van de koopovereenkomst van 28 augustus 2006. [eiser] vordert immers levering van de machines. [gedaagde] stelt dat deze koopovereenkomst vernietigbaar is, omdat zij door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. [eiser] heeft als deskundige de machines opzettelijk op een veel te lage waarde (€ 3.000,00) getaxeerd en vervolgens [gedaagde], die op dat moment alleen thuis was en onder grote psychische druk stond, overgehaald om de door hem opgestelde koopovereenkomst te tekenen en daarmee de machines aan hem te verkopen. 4.3. Van misbruik van omstandigheden is sprake, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden (artikel 3:44 lid 4 BW). 4.4. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is in dit geval geen sprake van misbruik van omstandigheden. [gedaagde] heeft hierop eerst op 27 november 2006 een beroep gedaan (zie 2.6.), terwijl zij bijna drie maanden daarvoor in een telefoongesprek met [eiser] heeft gezegd dat zij de machines niet zou leveren, omdat zij door zou gaan met haar gordijnatelier. Opmerkelijk is hierbij dat [gedaagde] dezelfde machines blijkens een daartoe opgemaakte factuur reeds op 31 augustus 2006 voor een bedrag van € 6.000,00 (exclusief BTW) aan Van Paridon BV Woningstoffering heeft verkocht. Voor [gedaagde] is de in haar ogen lage prijs van € 3.000,00 - zoals ter zitting is gebleken - de belangrijkste reden geweest om niet tot afgifte over te gaan. Echter, het feit dat de rechtshandeling voor haar tot nadeel heeft geleid, duidt op zichzelf niet op misbruik van omstandigheden. Bij het voorgaande komt nog dat niet aannemelijk is geworden dat [eiser], zoals [gedaagde] stelt, op 28 augustus 2006 uitsluitend in de hoedanigheid van taxateur bij [gedaagde] is geweest. Aangenomen kan worden dat [gedaagde] op de hoogte was van de bedrijfsactiviteiten van [eiser], zodat het ervoor moet worden gehouden dat [eiser] als koper bij [gedaagde] is geweest. Dit geldt te meer als in aanmerking wordt genomen dat [eiser] hiervoor uit Baarland (provincie Zeeland) is gekomen. Uit de ter zitting afgelegde verklaring van de echtgenoot van [gedaagde] kan dit eveneens worden afgeleid. Hij heeft namelijk verklaard dat hij op de bewuste dag, toen hij naar zijn werk vertrok, tegen [eiser] heeft gezegd: “maak een leuke prijs en dan kunnen verder praten”. Nu [gedaagde] ondanks de geschetste omstandigheden weigert de machines aan [eiser] af te geven, schiet zij toerekenbaar tekort in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiend uit de koopovereenkomst. 4.5. Daarmee ligt de primaire vordering in beginsel voor toewijzing gereed. Nu evenwel vaststaat dat de machines door [gedaagde] reeds zijn verkocht en geleverd aan Van Paridon BV Woningstoffering, betekent dit dat [gedaagde] niet in staat zal zijn om een veroordeling tot levering na te komen. Bij toewijzing van de vordering zal zij dan ook onmiddellijk (dat wil zeggen nadat de termijn waarbinnen zij de machines na betekening van het vonnis dient te leveren, is verstreken) en uitsluitend dwangsommen zijn verschuldigd. De primaire vordering zal daarom moeten worden afgewezen. 4.6. De subsidiaire vordering van [eiser] ziet op veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 7.000,00 als voorschot op de door hem geleden schade. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] schade lijdt als gevolg van het niet leveren van de machines door [gedaagde]. Daarmee is [gedaagde] ook schadeplichtig jegens [eiser]. 4.7. Voorshands geoordeeld heeft [eiser] zijn exacte schade vooralsnog onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Gegeven de terughoudendheid die past bij de veroordeling tot betaling van een geldsom in een kort geding, is er daarom reden het toe te wijzen bedrag op een lager niveau vast te stellen dan is gevorderd. De voorzieningenrechter acht in de gegeven omstandigheden een bedrag van € 2.000,00 als voorschot passend. [eiser] heeft een spoedeisend belang bij toewijzing van dit gedeelte van de vordering, aangezien hij belang heeft bij een prompte genoegdoening. Dat er aan de zijde van [eiser] sprake is van een restitutierisico is gesteld noch gebleken. 4.8. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden afgewezen nu deze kosten niet voldoende feitelijk zijn onderbouwd. Het verzenden van enkele schriftelijke sommaties rechtvaardigt niet de gevorderde toewijzing. 4.9. Met betrekking tot de gevorderde beslagkosten wordt het volgende overwogen. Weliswaar heeft het beslag geen doel getroffen, maar de kosten die voor het beslag zijn gemaakt, zijn wel aan te merken als schade. Deze zijn gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv ook toewijsbaar en worden overeenkomstig de gebruikelijke beslagnorm begroot op € 246,92 voor verschotten en € 384,00 voor salaris procureur (1 rekest x € 384,00). 4.10. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op: - dagvaarding € 70,85 - vast recht € 251,00 - salaris procureur € 816,00 Totaal € 1.137,85 Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het griffierecht zal worden gerelateerd aan het toe te wijzen deel van de vordering, zodat het meerdere (€ 300,00 minus € 251,00 = € 49,00) voor rekening van [eiser] dient te blijven. De vordering met betrekking tot de nakosten is niet toewijsbaar, nu deze kosten zonodig kunnen worden begroot in de procedure die is bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv. 5. De beslissing De voorzieningenrechter: 5.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 2.000,00 aan Van Dalfsen ter zake van een voorschot op de door hem geleden schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 november 2006 tot de dag der algehele betaling; 5.2. veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 630,92, en bepaalt dat indien dit bedrag niet binnen twee (2) weken na betekening van dit vonnis is betaald, daarover de wettelijke rente vanaf die datum zal zijn verschuldigd; 5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.137,85; 5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Gameren op 27 maart 2007.