Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA5442

Datum uitspraak2007-04-25
Datum gepubliceerd2007-05-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/4414 WW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bezwaar niet-ontvankelijk wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Mededelingen Uwv algemene informatieverstrekking?


Uitspraak

06/4414 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 22 juni 2006, 05/1748 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [betrokkene] (hierna: betrokkene) en appellant. Datum uitspraak: 25 april 2007. I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Appellant heeft nadere stukken ingediend. Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend, waarop door appellant is gereageerd. Appellant heeft een nadere toelichting gegeven op het door hem ingenomen standpunt. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2007. Namens appellant is verschenen W.J.M.H. Lagerwaard, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen. Betrokkene is -met bericht- niet verschenen. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. 2. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden. 2.1. Betrokkene is tot 24 augustus 2001 werkzaam geweest bij [werkgever] (hierna: de werkgever). Op 24 augustus 2001 is de werkgever in staat van faillissement verklaard. De curator heeft betrokkene op 27 augustus 2001 ontslag aangezegd. Op 31 augustus 2001 heeft betrokkene appellant verzocht om overneming van de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever op grond van Hoofdstuk IV van de WW. Dit verzoek is ingewilligd bij besluit van 19 september 2001, waarbij de opzegtermijn is gesteld op maximaal zes weken, ingaande op 28 augustus 2001 en lopende tot en met 8 oktober 2001. In verband met het faillissement van de werkgever is er op of rond 27 augustus 2001 een bijeen-komst geweest waarop een medewerker van het Uitvoeringsinstituut werknemersver-zekeringen (de medewerker) tegenover het personeel van de werkgever heeft verklaard dat de in acht te nemen opzegtermijn zes weken bedraagt, gelet op het bepaalde in artikel 40 van de Faillissementswet. De medewerker heeft op vragen hierover aangegeven dat dit een wettelijke termijn betreft en dat bezwaar maken dus weinig zin heeft. 2.2. Op 27 april 2005 heeft de Raad een uitspraak gedaan (LJN AT5204) waaruit is gebleken dat, in het toen voorliggende geval, het Uwv de over te nemen betalingsverplichting van de werkgever ten onrechte had berekend over een opzegtermijn van maximaal zes weken. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft betrokkene op 15 augustus 2005 alsnog bezwaar aangetekend tegen het besluit van 19 september 2001. Betrokkene heeft in een aanvullend schrijven van 9 september 2005 vermeld dat er destijds duidelijk door appellant is gezegd dat de opzegtermijn zes weken bedroeg en dat het geen enkele zin had om een bezwaarschrift in te dienen. 2.3. Bij besluit van 26 september 2005 (het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar niet ontvankelijk verklaard in verband met niet verschoonbare termijnoverschrijding. Daartoe heeft appellant overwogen dat er bij hem destijds de vaste overtuiging bestond dat de maximale duur van de opzegtermijn zes weken bedroeg en dat de door de medewerker gedane mededeling dat bezwaar maken geen zin heeft, dit de termijnover-schrijding niet verschoonbaar maakt. 3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daartoe heeft zij overwogen dat een uitlating van appellant met een dergelijke ondubbelzinnige inhoud en strekking aan betrokkene, zonder dat appellant daarbij ook maar enig voorbehoud heeft gemaakt het in de onderhavige situatie niet onbegrijpelijk maakt, dat betrokkene er van uit is gegaan, dat hetgeen appellant aan hem mededeelde, juist was. Onder deze omstandigheden diende volgens de rechtbank niet-ontvankelijkheid achterwege te blijven nu betrokkene het beroep heeft ingesteld zo spoedig mogelijk als dat redelijkerwijze van hem verlangd kan worden. 4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de mededelingen van de medewerker gedaan op of omstreeks 27 augustus 2001 gezien moeten worden in het licht van algemene informatieverstrekking en niet om verzekerden het indienen van bezwaar te ontzeggen. Dat het indienen van bezwaar niet wordt ontzegd blijkt volgens appellant ook uit het feit dat het besluit is voorzien van een bezwaarclausule. 5. Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. 6. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank moet worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Hij overweegt daartoe het volgende. 6.1. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van bezwaar zes weken. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkheid op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. 6.2. De door de desbetreffende medewerker ten overstaan van vrijwel het voltallige personeel van de werkgever gegeven uitleg over de rechten, de hoogte en de duur van de uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de WW alsmede de mededeling dat het geen zin heeft bezwaar te maken tegen de opzegtermijn heeft het karakter van algemene informatieverstrekking. Voorts is onder het besluit van 19 september 2001 een bezwaarclausule vermeld waaruit betrokkene had moeten afleiden dat hij het besluit van 19 september 2001 kon aanvechten. De Raad stelt vast dat de medewerker betrokkene er niet van heeft weerhouden om bezwaar te maken tegen het desbetreffende besluit. Uit de gedingstukken blijkt overigens dat collega’s van betrokkene wel bezwaar hebben gemaakt. Betrokkenes beslissing om toentertijd geen bezwaar te maken op de grond dat de medewerker van mening was dat dit zinloos zou zijn dient dan ook voor betrokkenes risico te blijven. 6.3. De Raad ziet in de bedoelde omstandigheid dan ook geen grond die behoort te leiden tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. 6.4. Uit het bovenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep ongegrond verklaard dient te worden. 7. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb, inzake de vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 april 2007. (get.) T. Hoogenboom. (get.) M.R.S. Bacon.