Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA5548

Datum uitspraak2007-05-11
Datum gepubliceerd2007-05-24
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200608794/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Somalië / artikel 3 EVRM / categoriaal beschermingsbeleid / interim measures Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 januari 2006 in zaak no. 200508683/1; JV 2006/189) biedt, nu het besluit tot het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid gebaseerd is op de algehele situatie in Somalië, de enkele omstandigheid dat appellant in beginsel tot de categorie van personen behoort, op wie dat beleid van toepassing is, op zichzelf geen grond voor het oordeel dat de minister had moeten aannemen dat hij bij terugkeer naar Somalië het risico loopt als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Dat aan het besluit tot het voeren van voormeld categoriaal beschermingsbeleid mede de door de President van het EHRM ten aanzien van enkele Somalische vreemdelingen getroffen voorlopige maatregelen ten grondslag zijn gelegd, maakt dit niet anders.


Uitspraak

200608794/1. Datum uitspraak: 11 mei 2007 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appelant], appellant, tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/4434 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 10 november 2006 in het geding tussen: appellant en de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. 1. Procesverloop Bij besluit van 21 januari 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister), voor zover thans van belang, een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Bij uitspraak van 9 september 2005, verzonden op 12 september 2005, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister opnieuw beslist op de aanvraag met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Bij besluit van 23 december 2005 heeft de minister, voor zover thans van belang, de aanvraag opnieuw afgewezen. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 10 november 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 6 december 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 19 december 2006 heeft de Minister van Justitie een reactie ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. In de enige grief klaagt appellant dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte eraan is voorbij gegaan dat hij in beroep heeft aangevoerd dat de minister aan het besluit tot het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers afkomstig uit Somalië mede ten grondslag heeft gelegd dat de President van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) ten aanzien van enkele Somalische asielzoekers voorlopige maatregelen heeft getroffen en de minister, gelet hierop, ten onrechte in het besluit van 23 december 2005 niet heeft beoordeeld of terugkeer naar Somalië in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). 2.2. De grief is terecht voorgedragen maar kan niet leiden tot het ermee beoogde doel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 januari 2006 in zaak no. 200508683/1; JV 2006/189) biedt, nu het besluit tot het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid gebaseerd is op de algehele situatie in Somalië, de enkele omstandigheid dat appellant in beginsel tot de categorie van personen behoort, op wie dat beleid van toepassing is, op zichzelf geen grond voor het oordeel dat de minister had moeten aannemen dat hij bij terugkeer naar Somalië het risico loopt als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Dat aan het besluit tot het voeren van voormeld categoriaal beschermingsbeleid mede de door de President van het EHRM ten aanzien van enkele Somalische vreemdelingen getroffen voorlopige maatregelen ten grondslag zijn gelegd, maakt dit niet anders, 2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd. 2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van Staat. w.g. Parkins-de Vin Voorzitter w.g. Beerse ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007 382-526. Verzonden: Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze, mr. H.H.C. Visser, directeur Bestuursrechtspraak