
Jurisprudentie
BA5583
Datum uitspraak2006-11-01
Datum gepubliceerd2007-05-23
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers593096 \ CV EXPL 06-4297
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton
Datum gepubliceerd2007-05-23
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers593096 \ CV EXPL 06-4297
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton
Indicatie
afwijzing vordering betaling hoofdsom en wettelijke rente
Geen sprake van een bestelling door gedaagde of ontvangst door gedaagde van een opdrachtbevestiging. De toezending van een - mogelijk defect - apparaat valt hem niet toe te rekenen. Gedaagde mocht redelijkerwijze aannemen dat de toezending was geschied ten einde hem tot een koop te bewegen.
Uitspraak
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector kanton - locatie Leiden
rolnr. 593096 CV EXPL 06-4297
datum: 1 november 2006
Vonnis in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Nederlandse Koolzuur Centrale B.V. (N.K.C.),
tevens h.o.d.n. Koolzuur Centrale Sittard,
gevestigd en kantoorhoudende te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,
eisende partij,
gemachtigde: mr. P.L.J.M. Guinée,
rolgemachtigde: Van Arkel & Wigt & Hutten,
tegen
de besloten vennootschap Cozumel Exploitatiemij. B.V., tevens h.o.d.n. Bad Habits,
gevestigd en kantoorhoudende te Leiden,
gedaagde partij,
verschenen bij E.N.J.A.M. van Huijgevoort.
Partijen worden aangeduid als "NKC" en "Bad Habits".
Procedure
De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:
- de dagvaarding van 28 juni 2006,
- de conclusie van antwoord,
- de conclusie van repliek met producties,
- de conclusie van dupliek met 1 productie.
Vordering en verweer
NKC vordert betaling van € 491,40 hoofdsom met de wettelijke rente daarover berekend tot 28 juni 2006 ad € 57,81 en € 75,-- buitengerechtelijke kosten.
Aan haar vordering legt NKC bij dagvaarding ten grondslag dat zij in of omstreeks februari 2005 in opdracht en voor rekening van Bad Habits diensten/goederen heeft geleverd als omschreven in de aan Bad Habits gezonden rekening.
Bad Habits voert bij antwoord tot verweer aan dat een medewerker in februari 2005 een pakketje heeft aangenomen en voor ontvangst heeft getekend waarin een niet besteld koolzuur detectieapparaat bleek te zitten. Een aantal weken later kwam de rekening en heeft Bad Habits contact gezocht met NKC en afgesproken het pakket retour te sturen. Op het postkantoor bleek dat daar kosten aan verbonden waren en daarop is telefonisch met NKC afgesproken het pakketje retour afzender te sturen, hetgeen ook is gedaan. De PTT is gevraagd om een onderzoek in te stellen naar waar het pakketje kan zijn, maar daarvan is nog niets vernomen, aldus (telkens) Bad Habits.
Bij repliek brengt NKC naar voren - zakelijk weergegeven - dat zij een informatieavond heeft georganiseerd, dat Bad Habits zich daarvoor had aangemeld en dat zij nadien Bad Habits heeft gebeld op 27 januari 2005 en dat Bad Habits toen het apparaat heeft besteld.
De bestelling is dezelfde dag nog schriftelijk aan Bad Habits bevestigd (prod. 1 bij repliek) en Bad Habits heeft die bevestiging ontvangen en behouden. Bij het vervolgens aan Bad Habits gezonden apparaat zat ook de factuur. Zowel op het pakketje als op het namens Bad Habits ondertekende ontvangstbewijs is het retouradres vermeld en niet gewenste pakketjes kunnen ongefrankeerd retour worden gezonden. NKC heeft geen retourzending van Bad Habits ontvangen en zij betwist dat Bad Habits TPG om een onderzoek heeft gevraagd.
Voorts vult NKC haar grondslag aan met (subsidiair) onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking.
Bij dupliek voert Bad Habits aan dat haar niets bekend is van een informatieavond georganiseerd door NKC, en voorts betwist Bad Habits het apparaat te hebben besteld en een opdrachtbevestiging te hebben ontvangen. Bij dupliek brengt Bad Habits een brief van TPG Post d.d. 7 juni 2006 in het geding waarin wordt bevestigd dat haar is gevraagd een onderzoek in te stellen naar de op 1 februari 2006 aan NKC gezonden verzending.
Beoordeling
De enkele omstandigheid dat - naar NKC stelt maar Bad Habits betwist - NKC het apparaat niet retour heeft ontvangen maakt niet dat Bad Habits gehouden is de factuur te voldoen.
Bad Habits heeft gemotiveerd betwist dat zij het apparaat telefonisch heeft besteld en/of een bevestiging van de beweerde bestelling heeft ontvangen. Aan de inhoud van de stukken valt geen steun te ontlenen voor de juistheid van die stellingen van NKC. De overgelegde opdrachtbevestiging is immers niet namens Bad Habits voor akkoord ondertekend en nergens blijkt uit dat Bad Habits die bevestiging daadwerkelijk heeft ontvangen. NKC heeft ook geen bewijs haar stellingen aangeboden. De kantonrechter gaat daarom aan die stellingen voorbij en gaat er van uit dat Bad Habits geen bestelling heeft gedaan of opdrachtbevestiging heeft ontvangen.
De subsidiair aan de vordering gelegde grondslag (onverschuldigde betaling en/of ongerechtvaardigde verrijking) stuit af op het bepaalde in art. 7:7 BW (luidende Degene aan wie een zaak is toegezonden en die redelijkerwijze mag aannemen dat deze toezending is geschied ten einde hem tot een koop te bewegen, is ongeacht enige andersluidende mededeling van de verzender jegens deze bevoegd de zaak om niet te behouden, tenzij het hem is toe te rekenen dat de toezending is geschied.) Nu er van uit moet worden gegaan dat er geen sprake is geweest van een bestelling door Bad Habits of ontvangst door Bad Habits van een opdrachtbevestiging valt de toezending haar immers niet toe te rekenen en mocht laatstgenoemde redelijkerwijze aannemen dat de toezending was geschied ten einde hem tot een koop te bewegen.
Een en ander maakt dat de vordering wordt afgewezen en dat NKC als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten wordt veroordeeld.
Beslissing
De kantonrechter:
- wijst de vordering af;
- veroordeelt NKC in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van Bad Habits begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. E. Weiss en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 november 2006.

