Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA5916

Datum uitspraak2007-05-10
Datum gepubliceerd2007-05-30
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/6515 AW, 06/1118 AW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Ontslag na proeftijd: niet voldaan aan de eisen van bekwaamheid of geschiktheid. Gedrag partner. Integriteit.


Uitspraak

05/6515 AW en 06/1118 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 september 2005, 05/636 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [betrokkene], (hierna: betrokkene) en appellant Datum uitspraak: 10 mei 2007 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 16 januari 2006 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Dishoeck, werkzaam bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Dammingh, werkzaam bij de Nederlandse Politiebond. II. OVERWEGINGEN 1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellant ten onrechte aangeduid als “de Minister van Justitie”. De Raad heeft daarom in de aanhef van zijn uitspraak de partij-stelling verbeterd. Verdergaande gevolgen behoeven daaraan niet te worden verbonden. 2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 2.1. Betrokkene was met toepassing van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) met ingang van 21 april 2003 voor een proeftijd van een jaar aangesteld als senior medewerker administratie bij het Korps landelijke politiediensten te [vestigingsplaats]. 2.2. Bij besluit van 9 april 2004 heeft appellant betrokkene met toepassing van artikel 89, derde lid, van het Barp met ingang van 21 april 2004 ontslagen omdat zij niet voldeed aan de te stellen eisen van bekwaamheid of geschiktheid. 2.3. Bij het bestreden besluit van 24 december 2004 heeft appellant na door betrokkene gemaakt bezwaar het besluit van 9 april 2004 gehandhaafd. Appellant heeft daarbij overwogen dat betrokkene het vertrouwen dat in haar integriteit moet kunnen worden gesteld, heeft geschonden en daarom niet geschikt is voor haar functie. In dit verband heeft appellant erop gewezen dat betrokkene blijkens haar eigen verklaringen vragen had bij het gedrag van haar toenmalige partner M - die later, te weten op 10 februari 2004, is aangehouden op verdenking van het plegen van strafbare feiten - maar heeft nagelaten die met haar leidinggevende te bespreken en er indertijd evenmin van heeft blijk gegeven de relatie met M te willen beëindigen. 3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Tevens heeft de rechtbank appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft daartoe als haar oordeel gegeven dat van betrokkene in redelijkheid niet kon worden verwacht dat zij uit zichzelf zou beseffen dat de door haar ten aanzien van haar partner geconstateerde feiten een zodanige invloed op haar integriteit dan wel die van de politieorganisatie in het algemeen konden hebben dat zij daarmee spontaan naar haar leidinggevende had moeten stappen of de relatie met M had moeten beëindigen. 4.1. Appellant kan zich niet met de uitspraak van de rechtbank verenigen. Naar de mening van appellant had betrokkene ten minste vraagtekens moeten hebben bij een aantal van de gedragingen van M. Vanuit een oogpunt van integriteit had haar dit tot handelen moeten brengen. De intensieve relatie met M kon gevaar opleveren voor de veiligheid en integriteit van betrokkene en de politieorganisatie. Aan alle politiemedewerkers, ook die in een administratieve functie, worden hoge eisen van betrouwbaarheid en integriteit gesteld. Betrokkene heeft ervan blijk gegeven niet aan deze eisen te voldoen. 4.2. Betrokkene, die inmiddels haar relatie met M heeft verbroken, heeft zich gesteld achter de overwegingen van de rechtbank. 5. De Raad overweegt het volgende. 5.1. Blijkens de gedingstukken heeft betrokkene aanvankelijk, bij een verhoor door de politie, verklaard dat haar vriend M een vals rijbewijs had gekocht. Nadien heeft zij deze verklaring in die zin bijgesteld dat M het rijbewijs wel legaal (bij de betrokken deelgemeente) had aangeschaft maar dat dit rijbewijs was afgegeven op basis van een verklaring omtrent het slagen voor het theorie-examen, waarmee was geknoeid. Betrokkene heeft verder verklaard dat M in het bezit was van 3 tot 6 credit cards die op naam stonden van een Chinees. Deze kaarten zijn door iemand naar M gebracht in de veronderstelling dat M de code wel kon breken zodat er geld mee kon worden opgenomen, aldus betrokkene. Overigens heeft betrokkene later gesteld dat het aantal credit cards minder dan 3 tot 6 betrof. Betrokkene was ermee bekend dat M, musicus van beroep, onder andere laptops en tv’s verhandelde, die bij hem thuis waren opgeslagen. Naar betrokkene heeft verklaard, heeft zij zich wel afgevraagd of deze handel illegaal was maar is zij er (niettemin) van uitgegaan dat het goed zat. 5.2. Mede gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat betrokkene wist, althans er op z’n minst enig vermoeden van kon en moest hebben, dat M in het bezit was of geweest was van stukken en voorwerpen die hij niet langs legale weg had verkregen. Aangezien betrokkene een langdurige relatie had met M en deze als haar partner was te beschouwen, had betrokkene zich hieromtrent, gelet op de daaraan voor haar functioneren verbonden risico’s, met haar leidinggevende dienen te verstaan. Het enkele feit dat M nog bij zijn ouders woonde en hij dus niet samenwoonde met betrokkene doet hieraan niet af. Ook de omstandigheid dat M op het moment dat betrokkene in dienst kwam bij de politie niet meer in het bezit was van het onder 5.1. bedoelde rijbewijs acht de Raad niet van (wezenlijke) betekenis omdat de verklaring over dit rijbewijs past in het beeld van een zich (bij voortduring) bezig houden met illegale activiteiten. De Raad tekent hierbij aan dat M in 2005 als vervolg op zijn aanhouding in februari 2004 wegens onder andere verduistering en opzetheling is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden, waarvan 2 voorwaardelijk. Overigens is ook nog gebleken dat M op 10 september 2003 is veroordeeld wegens diefstal met braak. Dat betrokkene daarvan niet op de hoogte zou zijn geweest, komt de Raad niet erg aannemelijk voor. Zeker vanaf dat moment was er voor betrokkene alle aanleiding hierover contact op te nemen met haar leidinggevende. 5.3. Ter zitting is namens betrokkene nog aangevoerd dat zij haar verklaringen over gedragingen van M en haar kennis daarvan, heeft afgelegd zonder er zich van bewust te zijn dat deze door appellant later tegen haar gebruikt zouden (kunnen) worden. Als zij dit wel had geweten zou zij wellicht verklaringen met een andere inhoud hebben afgelegd. De Raad overweegt daaromtrent dat, daargelaten nog dat betrokkene als verdachte door de politie is verhoord, niet valt in te zien dat de door betrokkene in feite afgelegde verklaringen bij de beoordeling van dit geschil niet in aanmerking zouden kunnen worden genomen. 5.4. Nu betrokkene haar leidinggevende niet heeft ingelicht over bepaalde gedragingen van haar toenmalige partner, die een illegaal karakter hadden of waarvan betrokkene zich in ieder geval moest afvragen of ze dit karakter hadden, heeft appellant zich naar het oordeel van de Raad met recht op het standpunt kunnen stellen dat zij niet geschikt is voor haar functie. Betrokkene had zich moeten realiseren dat een partnerrelatie met iemand die zich inlaat met criminele activiteiten voor een politiefunctionaris uit een oogpunt van betrouwbaarheid en integriteit, mede gezien de mogelijkheid van belangen-verstrengeling, grote bezwaren oproept. Kennelijk heeft het betrokkene aan dit besef ontbroken. 5.5. Nu de Raad niet tot de conclusie kan komen dat het besluit van appellant om betrokkene aan het einde van de proeftijd van een jaar ontslag te verlenen de rechterlijke toetsing niet kan doorstaan, slaagt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak moet daarom worden vernietigd. 6. Nu de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard, ontvalt de grondslag aan het ter uitvoering van die uitspraak gegeven nieuwe besluit van 16 januari 2006, waartoe het geding in hoger beroep zich op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht mede uitstrekt, zodat ook dit besluit moet worden vernietigd. 7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep ongegrond; Vernietigt het besluit van 16 januari 2006. Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J. Rentmeester als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2007. (get.) J.Th. Wolleswinkel. (get.) A.J. Rentmeester.